woensdag 11 november 2009

"Alles wat in dit boek staat, is waar" - Editions Migraine op bezoek bij Koen Peeters

Met De Bloemen brengt de Leuvense schrijver Koen Peeters(1959) een erg persoonijk eerbetoon aan het leven, lief en leed van zijn ouders en grootouders. Aan de hand van oude familiedocumenten, meticuleus bijgehouden door twee ooms, reconstrueert Peeters op een subtiele en poëtische manier de leef - en denkwereld van die overleden familieleden. De lezer kijkt over de schouder van de verteller mee, terwijl deze, brief na brief, de mysteries ontrafelt die drie generaties Peeters met zich meedragen. De twee wereldoorlogen passeren de revue, maar ook ene traumatisch en nooit opgehelderd incident waarbij Peeters's vader na een verkiezingsmeeting in elkaar wordt geslagen door extreel-rechtse militanten. Collega Sermeus en ikzelf gingen, met het boek onder de arm, langs bij een van de interessantste schrijvers van het moment.

Het is misschien maar een indruk, maar er verschijnen veel romans over "ouders" tegenwoordig: Lanoye's Sprakeloos, Edgard van Marcel Vanthilt, uw De Bloemen en in zekere zin ook Wij van Jeroen Olyslaeghers.
Hebt u een verklaring voor die "zoektochten" van hedendaagse schrijvers naar hun roots?


De voorwaarde die ik kan bedenken is dat de ouders natuurlijk eerst dood moeten zijn, want anders kan je niet die intimiteit bovenhalen. En het rouwproces moet verwerkt zijn. Het is natuurlijk ook voor een stuk coïncidentie. Bij mij is het gekomen omdat ik die papieren ter inzage had gekregen van mijn oom. Ik wilde die brieven wel echt hebben, maar hij wilde er gaan afstand van doen. Dus ik moest ze dan wel overtypen, wat ik met veel plezier deed. Toen ik de brieven aan het overnemen was begon is ze hier en daar wat in te korten, of wat dingen te verbeteren of zelfs iets toe te voegen wat ik hoorde van mijn oom, letterlijk zoals in het boek beschreven staat. Voor je het weet ben je op die manier aan het schrijven en aan het herschrijven. En die andere papieren, de procesverbalen, dat is ook zo gebeurd. Die komen van mijn andere oom. Ze leven beiden nog, en waren er ook alle twee bij toen het boek werd voorgesteld. Wat heel fijn was. Mijn oudste oom, nonkel Jos, heeft er een toespraak gehouden, want die hield wel van toespraken. In die zin was het wel heel familiaal. Letterlijk.

De Bloemen is een erg persoonlijke roman geworden waarin een aantal naaste familieleden zelf als personages optreden. Hoe reageren zij op het feit dat ze hier, al dan niet in geromantiseerde vorm, worden opgevoerd? Denk bijvoorbeeld aan de nonkels van Dimitri Verhulst zijn bijvoorbeeld niet opgezet met hun portret in De helaasheid der dingen.

Ik wil natuurlijk geen familieruzies. En het is ook wel degelijk een eerbetoon aan mijn vader en grootvader. Daarbij komt nog eens dat ik het ook allemaal zeer goed heb uitgelegd aan al de betrokkenen. Het boek is ook vooraf gelezen door heel wat familieleden om toch eens te checken of ik respectvol genoeg was geweest. En langs de andere kant heb ik het verhaal natuurlijk ook bewerkt. Maar ik ben met al het materiaal dat ik had heel omzichtig omgesprongen. Daarom was het ook heel waardevol voor mij dat ik het eerste exemplaar van het boek aan mijn nonkels heb gegeven. Fantastisch dat mijn nonkel daar een speech hield. Want natuurlijk is er wel een discussie geweest; je gaat immers aan de haal met het beeld van zijn vader. Ik ben ook heel dankbaar dat hij alles, maar dan ook alles bijgehouden heeft. Mijn vader zelf hield dat soort documenten niet bij. Het is dan ook fantastisch om iemand in de familie te hebben die dat wel doet.

Hebt u dan suggesties gekregen over dingen die beter niet in het boek zouden thuishoren?

Ja zeker. In de brieven van tijdens de oorlog van mijn grootmoeder stonden bijvoorbeeld dingen in over een Oostfrontstrijder, die in het dorp de grote jan ging uithangen, maar tegelijkertijd door de mensen in het dorp wordt uitgelachen. Die naam heb ik uiteraard wel veranderd. Ook werd er na de oorlog een meisje kaalgeschoren in het dorp, haar naam heb ik ook veranderd. In die zin probeer ik wel respectvol met het materiaal om te springen. Voor de rest hadden mijn ooms ook wel begrepen dat dit literatuur is, het zijn wijze mensen. Als hun jonge neefje, al is dat jonge neefje al vijftig jaar, met die verhalen aan de slag gaat, dan is dat literatuur en dan moeten we dat ook zo bekijken.

Brieven van vroeger

U bent aan de slag gegaan met het schriftelijke bronnenmateriaal dat uw voorouders hebben nagelaten. Stel dat we dezelfde oefening laten herhalen door uw kinderen of kleinkinderen: hoe zou u daar uit komen? Is de aanwezigheid van een kroniekschrijver in een voorgaande generatie niet vertekenend voor de reconstructies die volgende generaties voeren? Gaan zij dus op een andere manier naar hun grootvader en overgrootvader kijken net omdat u dit boek geschreven hebt?


Ik weet natuurlijk niet of mijn kinderen schrijver gaan worden. Maar ik denk dat dit één lectuur is, en die vertekent de werkelijkheid natuurlijk. Om nu heel eerlijk te zijn, ik kan er ook niet meer onbevangen naar kijken nu ik die roman geschreven heb. Eigenlijk is die tekst in de plaats gekomen van wat er is. Ik heb mijn oom ook heel veel over dit alles horen vertellen, en daardoor is dit natuurlijk ook maar een verhaal van een verhaal, van een biografie. Het woord zegt het natuurlijk zelf al, het leven was al geschreven. Mijn oom had het allemaal al eens opgeschreven, in een eigen boek, maar met een ondubbelzinnige bewondering. Zijn ouders hebben zijn studies betaald, wilden sterk vooruit in het leven. Allemaal dingen die toen niet zo voor de hand liggend waren. Die bewondering zit ook sterk in mijn boek. Maar er zijn ook dingen die niet in het boek voorkomen, bijvoorbeeld de psychologie van mijn grootmoeder. Ik heb haar nooit gekend, dus heb ik haar geschetst zoals mijn oom haar gezien heeft als moeder. Ik heb dit dan ook niet proberen te verzinnen.

Er komen natuurlijk ook persoonlijke herinneringen in het boek naar voor. Zijn die herinneringen dan ook veranderd door ze neer te schrijven? Die herinneringen worden toch ook gekaderd in een heel verhaal, een roman.

Het is absoluut niet de ambitie dat ik het zeg zoals het is. Integendeel. Zeker met dit boek wilde ik iets maken dat mooi was. Een beetje zoals bloemen. In die zin is die titel er ook niets voor niets. De bloemen staan dan voor mensen die het leven mooi maken. Die kleren dragen met een bloemetjesmotief, die behangpapier met bloemen hebben. Het zijn geen echte bloemen, maar het is zo een beetje decoratie. En dat leeft leuk.

In het naschrift van de roman vertelt u de lezer dat “niets waar is in deze roman.” Hoe groot is de afstand tussen de Koen Peeters die nu hier voor ons zit en de verteller in de roman? Wat laat die gecreëerde distantie je toe? Hoe functioneel is deze afstand?

Mijn werk wemelt van dat soort formules. Het is natuurlijk ook een vuile truc van schrijvers om niet teveel inzage te geven in hun privé-leven. Langs de andere kant is eigenlijk alles wat er in het boek staat waar. Er zit wel een stuk verbeelding in. Ik heb geprobeerd mij in die personages in te leven. Zoals bijvoorbeeld bij mijn vader de ethische reflex die mensen drijft tot politiek, waar ik een hele hoge pet van op heb. Maar natuurlijk dat zegt heel veel over mij, over hoe dat ik denk dat politiek moet zijn. En natuurlijk ook hoe ik als kind naar mijn vader opkeek. Hij was volksvertegenwoordiger, en bij zijn werk konden we ons niets voorstellen, maar we hadden er wel een grenzeloze bewondering voor.

Een angelloze zorgeloosheid

Hebt u heimwee naar de schijnbare zorgeloosheid van uw vroegere kinderjaren? Al was het een zorgeloosheid die voor een deel gebaseerd was op het feit dat heel wat gevaren nog niet bekend waren, zoals blijkt uit de inzamelactie met sigarettenpakjes en het onbeschermd spelen met asbest. Of is het eerder een zorgeloosheid met angeltjes in?

Als ik daar op terugkijk is dat toch echt wel een angelloze zorgeloosheid. Er hangt wel een zekere melancholie mee samen, maar het was een zeer goed geordend universum. Alles had zijn plaats. Op zondag gingen wij naar de mis, en in het weekend gingen wij naar het bos. En mijn vader was in de politiek. Hij was volksvertegenwoordiger. Een ontzettend moeilijk woord. We waren met vijf jongens thuis. En daar was ik trots op. Het zal allemaal heel goed in elkaar. Het was de harmonie der wereld, en die van het gezin gezin. Terwijl ik vandaag weet dat die dingen veel wankeler zijn dan ze leken.


Is De Bloemen een hedendaagse streekroman? Want er wordt wel heel wat over de Kempen gesproken.

Dat is natuurlijk het allerlaatste wat ik wilde schrijven. Ik ben eerder voor het grote, het universele. Kijk maar naar mijn vorige boek, de Grote Europese Roman. De Kempen zijn het literaire territorium van andere schrijvers. Denk maar aan Leo Pleysier en Walter Van De Broeck die die streek schitterend in kaart hebben gebracht. Wel, ik blijf daar af. Het zijn twee sympathieke en twee zeer goede schrijvers, die ik erg bewonder. Het is trouwens ook Brief aan Boudewijn van Van Den Broeck geweest dat mij aan het schrijven gezet heeft. Ik las erin dat je gewoon kan leven, en toch schrijven. Ik heb me daar ook heel sterk in herkend. Bij Pleysier gaat het dan specifiek over de taal, de taal die zijn moeder sprak, maar ook mijn moeder. Een tweede reden is dat ik wel van de Kempen kom, maar ik woon en leef in Leuven, en ik leef hier veel gelukkiger en veel beter dan wanneer ik in de Kempen zou leven. Ik ben blij dat ik daar weg ben! Ik woon in een stad – stadje – dicht bij Brussel, ik ben mobieler. Ik loop in de stad en niemand kent mij. Terwijl mijn vier lieve broers, die in een dorp wonen, steeds rekening moeten houden met het oog van de straat. Ze vinden het zelfs prettig om in zo een nest te zitten. Ik niet. Aan de andere kant zat ik wel met die twee verhalen die allebei heel sterk naar de Kempen wezen. En in die zin zijn in het boek de uitspraken over de Kempen zelfs gefilterd door een poging om vriendelijk te zijn. Als ik geïnterviewd wordt door de Gazet Van Antwerpen zeg ik iets anders natuurlijk. Hoewel de mensen in de Kempen altijd zeer vriendelijk zijn. Maar de streek is lelijk, om ver van weg te lopen. En typisch voor Kempenaars is dat je ze op een andere plaats tegenkomt, omdat ze verdorie zijn gaan lopen. Die braindrain is natuurlijk niet goed voor de streek. De Kempenaars verdwijnen, ze gaan als het ware op in de Groot - Brabantse gedachte. Of in de wereld. The boy can leave the farm, but the farm can never leave the boy. Ik moest in die zin die losse wortels die nog in de Kempen lagen een plaats geven.

Het hout van vader

In De Bloemen is er ook plaats voor de “twijfel” die we in uw boeken kunnen aantreffen. Het lijkt erop dat u niet in absolute waarheden gelooft. Denk maar aan de alomtegenwoordige Kempense God die er naar het einde van het boek aan moet geloven.

Ik wil eigenlijk wel getuigen van een tijdsverband. Ik wil graag, zoals Boon het noemde, seismograaf van een tijd zijn, maar dan wel van een andere tijd, en misschien zelfs van een hele eeuw. Mijn grootvader is geboren voor de 1900 en mijn vader is gestorven in 1999, en als ik dat beschrijf, dan heb ik verdorie een hele eeuw vastgepakt. In die zin gebruik ik ook een aantal andere beelden die laten zien dat je met toevallig gevonden materiaal een heel leven kan opbouwen. Bijvoorbeeld marmer, wat bijzonder intrigerend is. Er ligt hier in huis een marmeren blad op een vensterbank. Toen we dit huis gekocht hadden, was mijn vader hier aan het helpen. Op een bepaald moment stapt hij binnen en zet hij zijn voet erop, en het marmer breekt. Die barst is nog altijd zichtbaar. Ze is mij dierbaar omdat ze toont dat mijn vader hier aan het werk was. Marmer zelf is natuurlijk een verstening op een bepaald moment van koraal en steentjes – leven – die plots worden vastgelegd. Of, hierachter is een garage en daarboven is een houtkot. Dat kreeg ik dus ook, het hout van mijn vader. Allemaal latjes en balkjes. Opnieuw, er zijn sommige latjes waarvan ik perfect weer waar ze vandaan komen.
Ook stofjes, zoals in het boek beschreven staat. Als je een trap lang niet poetst, dan krijg je er een filmpje op van het stof dat naar binnen is gewaaid, maar er zit dus alles in. Organisch materiaal van het huis. Schilfertjes, haartjes. En dat vind ik eigenlijk heel interessant; kleine details vastpakken en dan schouwen: dit is het leven. Daar leid ik uit af dat er hier vijf mensen wonen. Toevallige getuigen die inkijk geven in het leven. Zo is het ook gebeurd met de brieven. Op een bepaald moment wil mijn vader die documenten die mijn oom bij ons thuis had weggehaald omdat ze mijn vader ziek maakten, in Antwerpen bij zijn broer gaan halen. Mijn moeder heeft daar echter een stokje voor gestoken. Maar, wie weet, had hij ze meegenomen, dan was dit boek maar half zo dik geweest, of was het er misschien nooit geweest.

Het boek bevat nogal wat geweld, dat steeds de schijnbaar vredige huissituaties komt verstoren zoals het slachten van het varken Mas, de wereldoorlogen, maar evenzeer de aanslag tijdens de meeting en de vechtpartij tussen de verteller en de agressieve chauffeur. Is het boek een afrekening met de verzamelde demonen van drie generaties Peeters?

Achter geweld zit toch vaak een bedoeling, een systeem. Het slachten van een varken is bijvoorbeeld bijzonder nuttig. En zelfs achter het geweld van oorlog zit een soort systeem.
Je hebt in elke familie grote familieverhalen die doorheen de generaties blijven bestaan. Zoals Maria, de zus van mijn vader, die verongelukt bij de molen. Iets waarin mijn vader dan toch een soort rol heeft gespeeld. Dat zijn verhalen die verder blijven bestaan. Zoals bijvoorbeeld de onrechtvaardigheid van de rijke familie die ik in het boek beschrijf, dat zijn toch dingen die overgedragen worden. Ik denk dat die demonen eerder vaste familieverhalen zijn. Onrechtvaardigheid en mislukte ambities zijn zulke vaste onderwerpen; ze komen in alle families terug.

Op het einde van het boek ontmoet u de man die je vader zwaar toetakelde na een meeting. Er is dan een tweedeling te merken tussen uiterlijke rust en innerlijke woede. Is het nu, net zoals de andere dingen in het boek, afgesloten, en geklasseerd?

Ik heb inderdaad bij die man voor de deur gestaan, maar ik ben niet naar binnen gegaan. Ik kwam tot de conclusie dat het helemaal niets zou oplossen. Het had geen zin om een oude man daarover lastig te vallen. Mijn vader heeft aan de zaak geen gevolg gegeven, dus ik hoefde daar ook niets aan te doen. Toch blijft het iets vreemds. Ik heb het allemaal als tienjarige meegemaakt, en, net zoals bij mijn broers, is het toch een soort witte bladzijde gebleven. We weten niet wat daar gebeurd is. En dan opeens kreeg ik een stortvloed aan details in de processen-verbaal die me toegestopt waren, wat er gebeurd was, wie wat gezegd had, al de leugens. Maar het is dus geklasseerd zonder gevolg. Ik was wel heel kwaad toen ik het las en vroeg me af hoe zoiets kon. Nu zouden er hele bladzijde in de krant aan zulke gevallen gewijd worden. Maar toen kon dat blijkbaar wel zonder meer. Zomaar een incidentje in het heetst van de verkiezingsstrijd.

Welke plaats heeft De Bloemen in uw oeuvre? Welke links legt u erin met eerder werk?

De tiende (lacht). Daar zit geen systeem in hoor. Het is wel zo, ik heb me voorgenomen 15 boeken te schrijven, en in die rij is dit het tiende. Elk boek is natuurlijk ook een antwoord op het vorige. Het vorige boek was groot en Europees, de pretentie – al dan niet ironisch – druipt ervan af. Terwijl nu dacht ik eens in te zoomen op een dorp, zij het dan met een link naar Antwerpen en Brussel, en een bepaald tijdsgewricht. Maar het idee ontstaat steeds op een banale manier: een onderwerp inspireert mij, ik begin het te exploreren, en dan krijgt dat een vorm. Ik wil ook altijd een vorm die een stap vooruit zet. Dit is dan een ander soort boek.

Schouderklopjes & vonken

De roman neemt de lezer mee op een reis naar een Vlaanderen dat zich langzaamaan ontwikkelt doorheen de voorbije eeuw. De sleutelmomenten die de geschiedenis van het geslacht Peeters bepalen, bepaalden net zo goed het aanzicht van Vlaanderen zoals het nu voor ons ligt. In hoe verre bent u een kind van de ontzuiling? En is het misschien daarom dat heel wat mensen van uw generatie zich in het boek gaan herkennen?

Ik wilde het godsbeeld van mijn grootvader echt wel beschrijven. Mensen zoals hij kwamen god tegen, die klopte hen op de schouder. Terwijl mijn vader god meer als een soort inspiratie zag. God was voor zijn generatie een soort vonk die de mensen aanporde om iets goeds te doen. En dan ben ik er, die nog wel heel duidelijk zie waar god gezeten heeft, de contouren kan zien van het zwarte gat waar god gezeten heeft. Maar er blijft weinig van over. Ik geef ook het beeld van de fanfare. Ik denk echt dat geloof iets is dat je hoort aankomen. Er is geweldige ambiance, allemaal mensen netjes op een rij, iedereen speelt zijn partituur, de adem valt samen met muziek – iets ongelooflijks. Er is iemand die voorop loopt, en iedereen weet wat hij moet doen. Je bent betoverd door dat spektakel, en je bent geneigd om mee te lopen, en voor je het weet, loop je ook mee in die maat. Maar als je dan de andere kant uitgaat, dan is het weg. En in die zin heeft geloof ook wel een functie, het brengt de mensen samen en begeleid hen in moeilijke momenten. Maar finaal blijft daar toch niets van over.

Het lijkt een menselijke reflex om bij een overlijden terug te kijken op de geschiedenis die de overledene mee heeft gemaakt. Je lijkt het te willen fixeren door te zoeken, het neer te schrijven.

Je kan inderdaad zinvol bezig zijn door het neer te schrijven, en vast te leggen en zo toegankelijk te maken in de vorm van een verhaal voor de mensen die na je komen.
Ik vroeg me voor jullie kwamen ook af of dit boek niet te “oud” zou zijn voor jullie. Het gaat over generaties natuurlijk. Misschien mag je geen kind meer zijn voor dit boek. Wanneer je vader sterft is er verdriet, je kan nooit meer met hem praten, maar het is ook een soort van bevrijding. Plots ligt al dat materiaal daar. Je kan wat vrijer handelen, wat vrijer keuzes maken. Het klinkt misschien kinderachtig, maar dan ben je geen kind meer.

In uw vorige roman – de Grote Europese Roman – schotelde u de lezer een dwarsdoorsnede van Europa voor. In De Bloemen lukt u erin om een “Grote Kempense Roman” af te leveren.`Wat mogen we in uw volgende roman verwachten? Een “Grote Belgische Roman”?

Ik heb net drie weken in Rwanda gezeten. Heel intensief rondgetrokken, weeshuizen gaan bezoeken, theeplantages, koffiefabrieken, genocidenmemorialen enzovoort. Heel interssant. Met de bedoeling iets Afrikaans te schrijven, ja. Het was mijn eerste keer in Afrika. Hoog tijd, zeker als je antropoloog bent, zoals ik. Echt heel interessant.
Ook zustertjes en witte patertjes heb ik geinterviewd. Congo heb ik links laten liggen wegens veel groter en onveiliger. Rwanda leek me veel bevattelijker. Ik heb me er geen enkel moment onveilig gevoeld. Dus na Europa en de Kempen wordt mijn volgende boek een Afrikaroman.

dinsdag 3 november 2009

Meanwhile

"Lectori salutem!" zou mijn innerlijke Guido Cloet zeggen, maar ik ga het toch niet doen. Il y a la manière. Doch ik vond het zelf intussen alweer zo lang geleden dat op deze pagina's nog iets verschenen was, dat ik hedenmorgen besloot daar maar 'ns wat verandering in te brengen.

Het zijn drukke tijden voor uw dienaar, en zoals nu ook weer blijkt is de drukte van mijn werk- en andere aangelegenheden omgekeerd evenredig aan het aantal updates van dit webvehikel. Door toedoen van onze nieuwe bezigheid - de studie der journalistiek - is het met de schrijverij as such maar droevig gesteld. Eén en ander zit in de pijplijn, daar niet van, maar aan het ontcijferen van de bierkaartjes - met - invallen die daaraan ten grondslag dienen te liggen, zijn we nog niet gekomen.

Toch laat Editions Migraine zijn publiek niet geheel in de kou staan, dezer dagen. In de loop van deze (of de volgende) week vindt u alhier de uitgebreide versie van een interview dan collega Sermeus en ikzelve onlangs afnamen van de Grote Vlaamse Schrijver Koen Peeters. (Een missie in opdracht van Veto.) Tevens wordt op dit ogenblik ook de basis gelegd aan de definitieve Watou Playlist. En misschien, heel misschien, komt er nog wel 'n gedichtje of verhaaltje aan te pas.

Lezers die intussen de Boekenbeurs hebben bezocht, zullen zich hebben afgevraagd waarom Editions Migraine aldaar geen stand heeft. Dit alles heeft te maken met een schaalprobleem: de organisatie was niet in staat ons de gevraagde twee hallen te geven, zodat wij nu een alternatieve locatie zoeken voor het multimediale festijn dat onze uitgeverij voor alle geïnteresseerden in petto heeft. Onderhandelingen terzake met de Frankfurter Buchmesse en het Diesterse Begijnhof zijn in volle gang. Blijf dit blog in de gaten houden voor meer info!

vrijdag 18 september 2009

Eerste suite uit het Sigarettenbordeel

In vijf voorlopige flarden.

I came back to find a stranger indeed
-The Cats

PRO

Maat
dit is wat er gebeurt als je
niet oplet niet luistert

Ik vertel het je maar één keer

Ik weet niet of je ooit
hebt gehoord van die gast
die z’n herinneringen liet triggeren
door kleine details

Een koekje bijvoorbeeld of
een kopje thee maar

Ik heb hetzelfde met auto’s
kleine
blauwe
auto’s

Hoe dat komt?

I)

Het was mijn eerste jaar in het sigarettenbordeel en
ik was jong en blond en
onervaren
Ik wist dat er nog heel wat zou
komen
maar ik wist nog bij God niet
wat

Desalniettemin had ik al vlug
de smaak te pakken

En niet alleen omdat zij
als bij toeval van die
hele
grote
borsten
had al zal dat ook wel
meegespeeld hebben

Maar ik dwaal af

II)

Waar waren we ook weer
gebleven? Oh ja

Een poos lang ging het goed je weet wel
drinken op elkanders kosten
en schuifelend
onder dezelfde paraplu naar huis
zowel overdag als bij nacht
-dit alles was zeer gezellig
of wat had je gedacht

Een keer ook heb ik
haar
laten verdwalen ik was
een gentleman in die tijd:
Zij had al een vriendje en
sloeg ik de hand aan mezelf dan dacht
ik zo min mogelijk aan haar
Maar
hoe vaak we ook samen koffie dronken
dat
heb ik haar geloof ik nooit verteld

III)

Ondertussen stond het sigarettenbordeel niet stil
en af en toe deden we iets samen
een excursie
een examen
of een stukje sluikreclame
voor eigen werk;
het hare in het Engels
Ik verstond er geen zak van en vond het
dan maar prachtig

Tevens was haar vader vroeg
gestorven en dat vond ik erg want
dat was de mijne nooit gelukt.

Voor de rest kon ik er ook niet veel aan doen.

IV)

Het kon niet blijven duren
en daar blijkt alweer hoe slecht ik ben
in self fulfilling prophecies
Ik zeg nog tegen haar ik zeg
“Je staat hier sneller terug
dan je denkt je weet niet hoe
dit leven wenkt”
Maar
vooralsnog heb ik geen gelijk gekregen

Die dag maat
reden de treinen
voor een keer
stipt
En voor een keer vond ik
dat heel erg erg
en als het die dag geregend heeft
moet me dat ongetwijfeld hard
op de zenuwen hebben gewerkt.

V)

Hoe lang had je gedacht
dat zoiets duren kon?
Incognito op het balkon niet ver
van het sigarettenbordeel
-in tijdloos protest ter ere van haar-
met een Ultra Light en een kop koffie
de vleesgeworden balorigheid inmiddels

Een
kleine
blauwe
auto
stopt voor de deur

Milliseconden wegduikwerk voor haar
oogopslag

De laatste restjes oude rommel
categoriek de grote doos in
Intermezzo op een terras nabij;
De zon
scheen je kon
niet weten dat ze gauw
haar haren zwart zou verven
tot ziens tot gauw tot nooit niet meer

EPI

Maat
dat was het dan
meer is er niet
dat
weet ik wel
hoe weinig ervan aan is
hoe weinig echt gebeurd
hoeveel bijzaak, kwatsj en
fantasie

Maar als ik ergens een
kleine
blauwe
auto zie

denk ik steeds opnieuw aan haar.

zaterdag 29 augustus 2009

(no title)

Voor Fleur

En
plots hadden we
ons eigen werktuig;
alles moest kapot
en
alles kon kapot
nu

We gingen onmiddellijk aan de slag
en schopten voor de lol
nog wat extra keet
maar
het kot werd grondig
afgebroken

Het stof ging
ook wel weer liggen
en
we aten kersen in het puin

Alsof er voorts niet veel gebeurd was

donderdag 13 augustus 2009

What we did in Watou

Uw dienaar bracht de afgelopen julimaand door in het lieflijke oordschap Watou, op de grens tussen de donkerste diepten van Letermeland en Frankrijk. Niet geheel voor de fun deden wij zulks - al scheelde het niet veel-, neen, er moest wel degelijk gewerkt worden, en zulks in het kader van "Watou 2009: Verzamelde Verhalen #1," oftewel de vroegere Poëziezomers van Watou in het jaar 1 na Mandelinck. Schrijver dezes maakte voor het eerst in zijn bestaan deel uit van het contingent suppoosten dat er een hele zomer lang voor helpt zorgen dat het excrement op de verschillende locaties niet de ventilator raakt. Met wisselend succes, overigens. Doch dit terzijde. Voor het eerst hadden wij ook Kameraad Kodak mee, een analoog Minolta-bakbeest uit het jaar 1995. Als er één reden is voor het feit dat uw dienaar zelf amper op voornoemde prentjes te zien is, dan wel deze: niemand van de hele Watou-crew kon overweg met de nukken van het haperende en zwoegende bakbeest. Maar dat kon de pret niet drukken. Verslag van een maand tussen vakantie en werk.





Kijk, zo zag de opening er ongeveer uit. Met lampionnetjes dus. De lampionnetjes in kwestie waren weinig meer dan papieren zakken met onderin een ijzerdraadframe waarin een kaars vervat zat. Bij de opening, die plaatsvond in een weiland, hebben we vijfhonderd mensen zo'n lampion in de handen gedrukt en hen gevraagd om alstublieft zo min mogelijk met lampion en al in brand te vliegen, en als het even kon er ook van af te zien het omringende gras- en bosland in de hens te zetten. De meesten hielden zich braaf aan dit verzoek, met taferelen zoals het bovenstaande tot gevolg. De lampions kwamen achteraf naar verluidt allemaal in hetzelfde veld over de Franse grens terecht, maar da's een detail.

Het subject van dit weinig flatteuze portret - het kleurenpalet, of het gebrek daaraan, is het resultaat van een doorslaande preset in het ingewand van Kameraad Kodak - is niemand minder dan Jan Moeyaert, de big boss van het hele Watougebeuren. Delegeren, evalueren, managen, deze uit graniet gehouwen geweldenaar kan het allemaal. Wij suppoosten hebben, bovenop ons exuberante loon, onze riante onkostenvergoeding en de overvloed aan lekker eten en drinken op de barbecue na de opening, veel aan hem te danken. Jan Moeyaert is immers de man die ons allemaal proactief leerde zijn. Via e-mail dan nog. The man is a genius.

En hier woonden wij, suppoostjes: De Korenbloem. Dit leeg en te koop staande restaurant aan de Kleine Markt had tegenover vroegere suppoostenhonken het ontegensprekelijke voordeel dat het,voorzover geweten, niet behekst was. (Dat was in de tijd dat de suppoosten tijdens de Powweziezomer het rusthuis bezetten wel even anders.) Alhoewel: wanneer beneden de sjas afgetrokken werd, begon de jacuzzi in de badkamer om onopgehelderde redenen vanzelf te broebelen. Voorts hadden we, na enig gefoefel en gezeur, alle comfort: internet, stromend en bij tijden warm water, gescheiden sanitair, een grote koelkast enzovoort. Op deze foto is te zien hoe een groepje fietstoeristen onze ontbijttafel aanziet voor een caféterras, en vervolgens door een welwillend en veelkoppig personeelsbestand op z'n wenken bediend wordt. Met het verpatsen van zo'n vijf euro aan Aldi-pils en dito koffie verdienden we zo'n achttien euro, bovenop ons zo al riante eetbudget.
De organisatie, die ervaring heeft met dit soort dingen, hield er rekening mee dat mensen van al die conceptuele kunst op het parcours weleens de schijterij zouden kunnen krijgen. Daarom investeerde men in veellagig gemakpapier. En dat allemaal met uw belastinggeld, jawel.

Hierboven ziet u dichter Charles Ducal voordragen voor het talrijk aanwezige publiek in het Parochiehuisje. Die dag waren wij aldaar suppoost. De man, uit wiens werk wij in een vroeger leven met nauwelijks verholen bewondering konden citeren, blijkt in werkelijkheid nog 't meest weg te hebben van 'n typetje van Frank Focketyn. Edoch, één citaatje om het af te leren, uit de bundel "Het Huwelijk" uit 1987.

Gelukkig heb ik nog mijn oude pyjama/met knikkende knieën en slaphangend kruis/die trek ik aan als de vrouw is gaan slapen/ ik hang er de droevige ridder in uit.


Toegegeven, de foto hieronder is een klein beetje geposeerd, maar dat neemt niet weg dat uw dienaar wel degelijk heeft geschreven in Watou. Het gedicht "Daar gaan we weer," dat elders op deze blog te lezen valt, is daarvan al één morzeltje bewijs. Fragmenten uit andere schrijfsels zullen binnenkort ongetwijfeld de weg naar uw computerscherm vinden.

Fauna
Er waren ook heel wat beestjes te zien in Watou. Een kleine greep uit het aanbod.

Bessie het pluchen paard (rechts) werd op een dag de Korenbloem binnengedragen door een collega. Het arme beest was eigendom van de twee heren die het Blauwhuis bewoonden en het - al naargelang de bron - in gips wilden laten gieten voor in hun slaapkamer, dan wel het cadeau wilden doen aan een klein meisje van twaalf jaar. Reden genoeg voor ons om Bessie dus verborgen te houden in ons honk, in de hoop dat de heaumeaux van het Blauwhuis zouden vergeten dat ze Bessie überhaupt ooit in huis hadden gehad.



Dat was echter buiten het alziend oog van de organisatoren gerekend, die het stelen van een pluchen paard niet als goede PR beschouwden voor hun evenement. Paarden stelen is in een streek als Watou nog steeds een delicaat topic, zelfs wanneer het om een pluchen exemplaar gaat. Brecht werd dus gesommeerd Bessie terug naar haar oorspronkelijke plek te brengen, een karwei dat hij met frisse tegenzin aanving. Alvorens terug te keren, bezocht Bessie het hele parcours, wat streng verboden was, aangezien Bessie geen toegangskaartje had. Op deze foto zie je Bessie niettemin in de kelder van de brouwerij.

Bessie was echter niet het enige vreemde beest in Watou. Op deze foto zie je een zeldzame West-Vlaamse kerkuil. Het feit dat 'ie zich niet in een kerk, maar naast een schoorsteen bevindt, is een eerste aanwijzing dat hij zich niet al te lekker voelt. Het feit dat 'ie zich, hoewel een nachtdier zijnde, overdag vertoont, is een tweede. Niet dat wij dat zelf verzinnen, hoor: twee leden van de Bende van de Bosklapper of een aanverwante geitenwollensokkenclub, die toevallig over het hek van 'n locatie waren gekropen - een praktijk die wij niet aanmoedigen - waren zo vriendelijk ons zonder veel folterpraktijken van onzentwege te vertellen waarom ze zulks gedaan hadden. Bleek dat het een unieke kans was om dit zeldzame, zij het dus ietwat verwarde beest te aanschouwen.
En dit is één van de katten op het Blauwhuis; in totaal liepen er vier rond, die in een eeuwigdurende territoriumstrijd verwikkeld waren. Dit gitzwarte exemplaar droeg al vanaf dag één mijn voorkeur weg, en dat was wederzijds. Zwarte katten hebben echter de reputatie ongeluk te brengen. Omdat zulks geen goede reclame is, besloten we met z'n allen dit feit te downplayen door het sinistere, maar tegelijk ook snoezige beest de naam Flodderke te geven.

Tot slot was er nog den aap, een kunstwerk van Toni Matelli, en één van de frappantste bezienswaardigheden in Watou dit jaar. Zelfs na drie dagen werken op het Rusthuis was het voor schrijver dezes nog steeds schrikken om deze gehavende primaat aan te treffen, nota bene in het gezelschap van een klein plastic sculptuur, voorstellende twee zeehondjes die liggen te sterven in een plas olie. Het kleine jongetje op de foto staat er vooral bij omdat z'n knalroze T-shirt mooi paste bij het kanariegeel van de kamer. Zulks zou een mooie kleurenfoto kunnen opleveren, maar Kameraad Kodak dacht er die dag duidelijk anders over.


Leut ende vermaak

De boog kon natuurlijk niet altijd gespannen staan, en dus hadden we tal van nevenactiviteiten voorzien. Eén van de favoriete bezigheden in Watou was trouwens verjaren. Hier is Anne-Sophie aan de beurt...





...en hier Judith. Haar verjaardag vierden we met 'n picknick in de tuin van het rusthuis, in de schaduw van het aldaar neergepote pissijn van Elmset en Dragqueen. Tot spijt van heel wat bezoekers wie het water zowat aan de lippen stond, was voornoemd pissijn niet functioneel. Maar dat kon onze pret niet drukken, getuige het jolijt dat ontegensprekelijk van de gezichten der geportretteerden afdruipt.
Na een dag hard werken streken de suppoosten steevast neer op het terras van café 't Brouwershof. De rooie rakker op deze foto is collega Jonas, die zich die dag 'n klein beetje had laten verbranden in het zonnetje.


Op hetzelfde terras liet ook Brecht zich gewillig fotograferen.

Nu goed, af en toe wil een mens toch eens naar het buitenland, en dus trokken we op een avond onze stevigste stapschoenen aan om de vijfhonderd meter van de Korenbloem tot aan de Frans-Belgische grens te overbruggen. Gelukkig was er een café in de buurt met de toepasselijke naam La Frontière Belge, want van al dat stappen krijg je toch wel dorst. Watou is zo ver van de beschaving verwijderd dat wanneer je er Belgisch bier wil drinken -in casu een frisse Jupiler -, je de grens over moet.Waarom Veronique (rechts op de foto) een lepeltje op haar neus heeft, zal wel nooit helemaal duidelijk worden.




En dit is Dirk, de patron van het Brouwershof. Op eenvoudig verzoek brengt Dirk, geruggesteund door een even uitgebreide als nukkige geluidsinstallatie, klassiekers uit het betere Vlaamse lied en het Franse chanson.



Watoustock

Eén en ander kende een dramatisch culminatiepunt op 15 juli 2009, toen de eerste editie van Watoustock - een kolderieke avond voor en door suppoosten en andere randgevallen -doorging in het Brouwershof.
Hieronder zie je Anne-Sophie, Franciska en Pieter ijverig aan het werk met het keyboard van Dirk. Pieter zou me bij die gelegenheid vragen of ik een tenor had. Ik voelde me de rest van de dag alsof hij me een oneerbaar voorstel had gedaan. Wat Pieter op deze foto precies aan het doen is, is overigens met geen mogelijkheid meer te achterhalen.


We hadden die avond ook 'n speciale gast. Fleur was helemaal vanuit de Belgische hoofdstad naar Watou gekomen om haar gedichten voor te dragen en op fotogenieke wijze sigaretten te roken voor het alziend oog van Kameraad Kodak. Which is nice.




En hier is Fleur dus aan het voorlezen. Zelf traden wij ook op, maar omdat Kameraad Kodak zijn kuren krijgt van zodra ik hem uit handen geef, heb ik er zelf geen foto's van. Voor de volledigheid kan ik wel meegeven dat mijn bijdrage bestond uit het voorlezen van het "Requiem voor de laatste cowboy" en een zich in een erg rudimentair stadium bevindend Johnny-Brosverhaal, waarover in een volgende post ongetwijfeld meer. Tevens was ik gelast met de presentatie, hetgeen geen simpele klus was, zeker niet nadat we out of the blue besloten hadden een tweede, onvoorbereid gedeelte aan de avond vast te breien.

Ook Dirk liet zich niet onbetuigd.


Maar goed, aan alle mooie liedjes komt een eind. Nadat we 't Brouwershof hadden helpen sluiten, besloten we -dronken vandalen die we zijn - keet te gaan schoppen. Aangezien we nog twee maanden in Watou zouden verblijven, waren we zo slim om voornoemde keet niet in Watou zelf te gaan schoppen, maar wel in het dorpje Houtkerque, vlak over de Franse grens. En omdat wij linkiewinkie intellectuelen zijn, schopten we keet met een Belgicistisch tintje. L'union fait la farce.

Een tweede editie van Watoustock vond plaats begin augustus. Daarbij was uw dienaar niet aanwezig, maar de avond werd wel onsterfelijk gemaakt in de documentaire van Jade Corbey Why don't you fetch me another sausage, Mike?

Envoi


Ziezo. Met bovenstaande nietszeggende prentbriefkaartfoto sluiten wij volgaarne ons verslag van drie weken Watou af. Watou 2009 loopt nog tot 6 september, van 14 tot 19 uur (op zon- en feestdagen vanaf 11 uur.)Tickets kosten 10 euro als u een grote mens bent, voor studenten en ander klein grut wordt dat 5 euro. Pluchen paarden mogen gratis.

vrijdag 31 juli 2009

Daar gaan we weer

Jep, daar gaan we weer. Na een uitgebreid zomerreces in Watou - waarover binnenkort veel meer- pikt Editions Migraine de draad weer op, en wel met onderstaand gedicht.

Daar
gaan we weer
de hartenknakker cowboy
verschuift van schouder zijn
geweer
en
rond de keukentafel dansten
zij nog een keer
zuchtend
de tango d'amore

Ik wil je al mijn modderverhalen wel vertellen
maar niet nu

Op zolder lagen de herdekens bij nachte
diezelfde stilte af te wachten
hopend op het imprévu
van cowboy hey wat doe je
nu?

Cowboy hey wat doe je nu?

woensdag 17 juni 2009

Voor muzes van jaren her.

Zij rookt mijn sigaretten
niet
Zij kust
niet noch zij streelt
En toch
hou ik van haar

Omdat ik eens
haar blikken stal

Heb ik mezelf
Verbannen
Haar beeld mijn
reservaat
waarin ik slechts kan
dromen
En haar glimlach
Prikkeldraad
Die blijft
haken
In mijn huid op
nachten dat ik
wakker ben in het
diepzwart van
haar haren
Tot ik

Ziek

de ogen sluit
voor de dag die
fonkelt
om haar lippen