donderdag 3 december 2009

Geacht cliënteel

Wegens examens
zal het gedurende de maand december
veel migraine
en weinig éditions zijn
de firma dankt u
voor uw
begrip

dinsdag 17 november 2009

The Inevitable Return of Johnny Bros

Johnny Bros is het hoofdpersonage van mijn huidige prozafrutsels. Het fragment hieronder is een deeltje van een veel groter avontuur dat later, als ik groot ben, een afgerond geheel moet vormen. Doch hier alvast een voorsmaakje.

Zaterdag was een mooie dag om niet te roken. Dat wist Johnny Bros nu wel zeker. Op andere dagen wilde het hem niet zo best lukken, “gestopt zijn”. Op zaterdag leek het vooralsnog wonderwel te lukken.
Het had ermee te maken dat Johnny Bros in bed was blijven liggen tot de middag. Dat halveerde de tijd die aan gestopt zijn met roken diende te worden besteed, tot een twaalftal uren tussen opstaan en inslapen. Soms zijn de simpelste ideeën gewoon de beste.

Het feit dat hij zijn meest hardnekkige gewoonte opgegeven had, zette Johnny Bros aan het mijmeren. Immers, was zijn periode als onvoorwaardelijke kettingroker niet grofweg overeengekomen met zijn eveneens afgesloten periode als student? Definitief voorbij was de tijd dat elk college een epifanie van formaat teweegbracht. Data is niet hetzelfde als informatie. Check. De auteur en de verteller zijn niet noodzakelijk dezelfde. Check. Of zoiets -notities onleesbaar en nooit helemaal begrepen hoe dat nu eigenlijk zat. Herinnering is een constructie. Check. Toch heel wat opgestoken in al die tijd.

Maar die laatste weken was het Johnny Bros nog maar zelden overkomen, iets opsteken. Ja, na de colleges, bij een eerste futloze poging om het roken op te geven, een geschooide sigaret.

In de vroege namiddag begaf Johnny Bros zich naar het stadscentrum, meerbepaald het café “Reichenbach,” vlakbij de kathedraal. Rendez-vous met zijn vader. De drukte van tegenliggers en voetgangers, fietsers en foutparkeerders scheen Johnny Bros absurd toe. Hij was nog maar net wakker. De stad daarentegen had niet gewacht, en draaide wederom door met een halve dag voorsprong. Net zoals de dagen tevoren en de dagen die zouden volgen. Johnny Bros kreeg zin in een sigaret. Maar hij had er geen. Sommige problemen lossen zichzelf op.

Zonneschijn en een koud briesje; het perfecte weer om een verkoudheid op te doen. Ter voorbereiding liep Johnny Bros alvast wat te kuchen. Het resultaat stemde hem niet helemaal gelukkig. Sinds hij gestopt was met roken, was hoesten een aanmerkelijk minder met drama beladen bezigheid geworden. Geen slijm, geen beetje pijn, niks; de hypochondrie verloor haar geruststellende vanzelfsprekendheid. Ook het gehijg na trappenlopen was nu niet langer aan de tabak te wijten, maar gewoon aan zijn totale gebrek aan fysieke conditie, waarvoor er nu niet langer excuses in te roepen waren. Walk, don’t run. Johnny Bros zette de kraag van zijn lederen jekker omhoog en trok de ritssluiting tot helemaal onder zijn kin. De wind zocht tevergeefs een houvast in zijn weerspannige, kortgeknipte haar. Op de straathoeken werd keurig gewacht op groen licht. Weinig kans op mooie ongevallen vandaag. Sinds Johnny Bros gestopt was met roken, leek alles zo banaal.

Ach, gemijmer. Waar was toch de tijd dat hij samen met vrienden als Marlon de plaatselijke indyscene afstruinde, op zoek naar het achteraf pijnlijk overbodige gevoel “erbij geweest te zijn.” De tijd dat hij, na een hele avond in een achterkamer te hebben staan schuddebollen bij het gekrijs van slecht gestemde gitaren en een lamme drum, bij zichzelf en met de nodige gravitas kon zeggen: “Dit is de swing van de eenentwintigste eeuw.” En daarna samen met Marlon een fles rosé en een pakje Johnson kon kraken bij een geripte dvd van Brideshead Revisited. You must begin by speaking on the paper.

De avonden van testbeeld en automatische piloot in het Cultuurcafé, aan lange tafels voor een podium waarop steeds weer andere bands dezelfde toonloze heisa uit hun glimmende instrumentarium trokken. Te luid om te denken. Te luid om te spreken. Drinken dan maar. Stella. Rode wijn. Bollekes Koninck. De meisjes aan de overkant van de tafel fluisterden elkaar wat in het oor, een hand zuinigjes voor hun mond. Soms glimlachten ze naar Johnny Bros. Hij had er alle belang bij te doen alsof hij het niet zag. Dat hij het spelletje meespeelde. Maar verdomme, hij kon er tenminste bij roken zoveel hij wilde.

Aan een tafeltje bij het raam van café Reichenbach zit de oude de krant te lezen en zijn koffie te drinken. Johnny Bros ziet hem al van ver zitten en moet, voor het eerst, toegeven dat het een terecht etiket is, Oude. Sinds hun laatste ontmoeting is hij wat grijzer geworden, valer. Zijn ogen liggen wat dieper en staan wateriger dan anders. Oude. Ouder. Pa. Eén ding is echter onveranderd gebleven. Tussen de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand, met de elleboog waarvan hij op de tafel steunt, smeult een Belga Filter met een vervaarlijk lange askegel. Johnny Bros gaat tegenover hem zitten aan het tafeltje.
“Pa,” zegt hij.
De oude kijkt op van zijn krant en legt de sigaret in de asbak.
“John,” zegt hij. Hij neemt de sigaret op en neemt een laatste trek. Dan duwt hij de peuk uit in de asbak.
“Staat er iets in de krant?” vraagt Johnny Bros.
“Niets speciaals. Politiek. En ongevallen. Spookrijders vooral. The usual stuff.”
“Ja,” zegt Johnny Bros. “The usual stuff.”

The usual stuff. Er viel heel wat te bespreken, deze keer.
De oude heeft er geen zin in, dat ziet Johnny Bros meteen. De oude steekt een verse Belga op en zet het op een hartstochtelijk hoesten. Het galmt tegen het plafond van het overigens zo goed als lege café Reichenbach. De oude pakt zijn zakdoek en fluimt erin, zo discreet mogelijk.
“Rook jij er nog eentje meer,” zegt Johnny Bros automatisch.
“Mja,” zegt de oude. “Dit zijn maar fluimen. ’s Morgens zit er soms bloed bij.”
“Misschien moet je er maar eens mee stoppen.”
“De sigaretten?”
“Nee, bloed hoesten. Die sigaretten kunnen me niet schelen.”
De oude schuift hem het pakje Belga toe. “Hier, pak aan. Dan rook ik er al eentje minder.”
“Nee, bedankt. Ik ben gestopt.”
De oude legt het pakje sigaretten terug naast zijn kopje koffie. “John, ik kan veel van je hebben. Maar niet dat je tegen me liegt.”

zondag 15 november 2009

Bekkevoort City

Aan allen die gekomen zijn: proficiat. Afgelopen zondag werden de nieuwe inwoners van mijn Hagelandse hometown verwelkomd door het gemeentebestuur. Mij was gevraagd voor die gelegenheid een gedicht te schrijven. Geen evidente opdracht, want zo heel vaak ben ik -student zijnde - niet "thuis" te vinden; erg vast is mijn band met de klei waaruit ik getrokken ben, niet. In dit gedicht dus geen sightseeing van de ongewijfeld talrijke toeristische en andere troeven die Bekkevoort rijk is, maar een welgemeend welkom aan "mijn" nieuwe dorpsgenoten.

Kom erbij
voor jou maak ik speciaal
een plaats vrij in mijn taal

Zet u

En vertel: wat is je verhaal
waar kom je vandaan
wat kom je doen
wat brengt je
hier?

Kom erbij

En vertel: van hoeveel verder zijn jouw ogen?
Hoeveel dichterbij je hart?
Had je vroeger durven dromen
dat je
hier
terecht zou komen?

Maar vertel
kom wat
dichter

blijf niet schoorvoeten in het gruis

Kom erbij en kom
samen
wees welkom
kom thuis

woensdag 11 november 2009

"Alles wat in dit boek staat, is waar" - Editions Migraine op bezoek bij Koen Peeters

Met De Bloemen brengt de Leuvense schrijver Koen Peeters(1959) een erg persoonijk eerbetoon aan het leven, lief en leed van zijn ouders en grootouders. Aan de hand van oude familiedocumenten, meticuleus bijgehouden door twee ooms, reconstrueert Peeters op een subtiele en poëtische manier de leef - en denkwereld van die overleden familieleden. De lezer kijkt over de schouder van de verteller mee, terwijl deze, brief na brief, de mysteries ontrafelt die drie generaties Peeters met zich meedragen. De twee wereldoorlogen passeren de revue, maar ook ene traumatisch en nooit opgehelderd incident waarbij Peeters's vader na een verkiezingsmeeting in elkaar wordt geslagen door extreel-rechtse militanten. Collega Sermeus en ikzelf gingen, met het boek onder de arm, langs bij een van de interessantste schrijvers van het moment.

Het is misschien maar een indruk, maar er verschijnen veel romans over "ouders" tegenwoordig: Lanoye's Sprakeloos, Edgard van Marcel Vanthilt, uw De Bloemen en in zekere zin ook Wij van Jeroen Olyslaeghers.
Hebt u een verklaring voor die "zoektochten" van hedendaagse schrijvers naar hun roots?


De voorwaarde die ik kan bedenken is dat de ouders natuurlijk eerst dood moeten zijn, want anders kan je niet die intimiteit bovenhalen. En het rouwproces moet verwerkt zijn. Het is natuurlijk ook voor een stuk coïncidentie. Bij mij is het gekomen omdat ik die papieren ter inzage had gekregen van mijn oom. Ik wilde die brieven wel echt hebben, maar hij wilde er gaan afstand van doen. Dus ik moest ze dan wel overtypen, wat ik met veel plezier deed. Toen ik de brieven aan het overnemen was begon is ze hier en daar wat in te korten, of wat dingen te verbeteren of zelfs iets toe te voegen wat ik hoorde van mijn oom, letterlijk zoals in het boek beschreven staat. Voor je het weet ben je op die manier aan het schrijven en aan het herschrijven. En die andere papieren, de procesverbalen, dat is ook zo gebeurd. Die komen van mijn andere oom. Ze leven beiden nog, en waren er ook alle twee bij toen het boek werd voorgesteld. Wat heel fijn was. Mijn oudste oom, nonkel Jos, heeft er een toespraak gehouden, want die hield wel van toespraken. In die zin was het wel heel familiaal. Letterlijk.

De Bloemen is een erg persoonlijke roman geworden waarin een aantal naaste familieleden zelf als personages optreden. Hoe reageren zij op het feit dat ze hier, al dan niet in geromantiseerde vorm, worden opgevoerd? Denk bijvoorbeeld aan de nonkels van Dimitri Verhulst zijn bijvoorbeeld niet opgezet met hun portret in De helaasheid der dingen.

Ik wil natuurlijk geen familieruzies. En het is ook wel degelijk een eerbetoon aan mijn vader en grootvader. Daarbij komt nog eens dat ik het ook allemaal zeer goed heb uitgelegd aan al de betrokkenen. Het boek is ook vooraf gelezen door heel wat familieleden om toch eens te checken of ik respectvol genoeg was geweest. En langs de andere kant heb ik het verhaal natuurlijk ook bewerkt. Maar ik ben met al het materiaal dat ik had heel omzichtig omgesprongen. Daarom was het ook heel waardevol voor mij dat ik het eerste exemplaar van het boek aan mijn nonkels heb gegeven. Fantastisch dat mijn nonkel daar een speech hield. Want natuurlijk is er wel een discussie geweest; je gaat immers aan de haal met het beeld van zijn vader. Ik ben ook heel dankbaar dat hij alles, maar dan ook alles bijgehouden heeft. Mijn vader zelf hield dat soort documenten niet bij. Het is dan ook fantastisch om iemand in de familie te hebben die dat wel doet.

Hebt u dan suggesties gekregen over dingen die beter niet in het boek zouden thuishoren?

Ja zeker. In de brieven van tijdens de oorlog van mijn grootmoeder stonden bijvoorbeeld dingen in over een Oostfrontstrijder, die in het dorp de grote jan ging uithangen, maar tegelijkertijd door de mensen in het dorp wordt uitgelachen. Die naam heb ik uiteraard wel veranderd. Ook werd er na de oorlog een meisje kaalgeschoren in het dorp, haar naam heb ik ook veranderd. In die zin probeer ik wel respectvol met het materiaal om te springen. Voor de rest hadden mijn ooms ook wel begrepen dat dit literatuur is, het zijn wijze mensen. Als hun jonge neefje, al is dat jonge neefje al vijftig jaar, met die verhalen aan de slag gaat, dan is dat literatuur en dan moeten we dat ook zo bekijken.

Brieven van vroeger

U bent aan de slag gegaan met het schriftelijke bronnenmateriaal dat uw voorouders hebben nagelaten. Stel dat we dezelfde oefening laten herhalen door uw kinderen of kleinkinderen: hoe zou u daar uit komen? Is de aanwezigheid van een kroniekschrijver in een voorgaande generatie niet vertekenend voor de reconstructies die volgende generaties voeren? Gaan zij dus op een andere manier naar hun grootvader en overgrootvader kijken net omdat u dit boek geschreven hebt?


Ik weet natuurlijk niet of mijn kinderen schrijver gaan worden. Maar ik denk dat dit één lectuur is, en die vertekent de werkelijkheid natuurlijk. Om nu heel eerlijk te zijn, ik kan er ook niet meer onbevangen naar kijken nu ik die roman geschreven heb. Eigenlijk is die tekst in de plaats gekomen van wat er is. Ik heb mijn oom ook heel veel over dit alles horen vertellen, en daardoor is dit natuurlijk ook maar een verhaal van een verhaal, van een biografie. Het woord zegt het natuurlijk zelf al, het leven was al geschreven. Mijn oom had het allemaal al eens opgeschreven, in een eigen boek, maar met een ondubbelzinnige bewondering. Zijn ouders hebben zijn studies betaald, wilden sterk vooruit in het leven. Allemaal dingen die toen niet zo voor de hand liggend waren. Die bewondering zit ook sterk in mijn boek. Maar er zijn ook dingen die niet in het boek voorkomen, bijvoorbeeld de psychologie van mijn grootmoeder. Ik heb haar nooit gekend, dus heb ik haar geschetst zoals mijn oom haar gezien heeft als moeder. Ik heb dit dan ook niet proberen te verzinnen.

Er komen natuurlijk ook persoonlijke herinneringen in het boek naar voor. Zijn die herinneringen dan ook veranderd door ze neer te schrijven? Die herinneringen worden toch ook gekaderd in een heel verhaal, een roman.

Het is absoluut niet de ambitie dat ik het zeg zoals het is. Integendeel. Zeker met dit boek wilde ik iets maken dat mooi was. Een beetje zoals bloemen. In die zin is die titel er ook niets voor niets. De bloemen staan dan voor mensen die het leven mooi maken. Die kleren dragen met een bloemetjesmotief, die behangpapier met bloemen hebben. Het zijn geen echte bloemen, maar het is zo een beetje decoratie. En dat leeft leuk.

In het naschrift van de roman vertelt u de lezer dat “niets waar is in deze roman.” Hoe groot is de afstand tussen de Koen Peeters die nu hier voor ons zit en de verteller in de roman? Wat laat die gecreëerde distantie je toe? Hoe functioneel is deze afstand?

Mijn werk wemelt van dat soort formules. Het is natuurlijk ook een vuile truc van schrijvers om niet teveel inzage te geven in hun privé-leven. Langs de andere kant is eigenlijk alles wat er in het boek staat waar. Er zit wel een stuk verbeelding in. Ik heb geprobeerd mij in die personages in te leven. Zoals bijvoorbeeld bij mijn vader de ethische reflex die mensen drijft tot politiek, waar ik een hele hoge pet van op heb. Maar natuurlijk dat zegt heel veel over mij, over hoe dat ik denk dat politiek moet zijn. En natuurlijk ook hoe ik als kind naar mijn vader opkeek. Hij was volksvertegenwoordiger, en bij zijn werk konden we ons niets voorstellen, maar we hadden er wel een grenzeloze bewondering voor.

Een angelloze zorgeloosheid

Hebt u heimwee naar de schijnbare zorgeloosheid van uw vroegere kinderjaren? Al was het een zorgeloosheid die voor een deel gebaseerd was op het feit dat heel wat gevaren nog niet bekend waren, zoals blijkt uit de inzamelactie met sigarettenpakjes en het onbeschermd spelen met asbest. Of is het eerder een zorgeloosheid met angeltjes in?

Als ik daar op terugkijk is dat toch echt wel een angelloze zorgeloosheid. Er hangt wel een zekere melancholie mee samen, maar het was een zeer goed geordend universum. Alles had zijn plaats. Op zondag gingen wij naar de mis, en in het weekend gingen wij naar het bos. En mijn vader was in de politiek. Hij was volksvertegenwoordiger. Een ontzettend moeilijk woord. We waren met vijf jongens thuis. En daar was ik trots op. Het zal allemaal heel goed in elkaar. Het was de harmonie der wereld, en die van het gezin gezin. Terwijl ik vandaag weet dat die dingen veel wankeler zijn dan ze leken.


Is De Bloemen een hedendaagse streekroman? Want er wordt wel heel wat over de Kempen gesproken.

Dat is natuurlijk het allerlaatste wat ik wilde schrijven. Ik ben eerder voor het grote, het universele. Kijk maar naar mijn vorige boek, de Grote Europese Roman. De Kempen zijn het literaire territorium van andere schrijvers. Denk maar aan Leo Pleysier en Walter Van De Broeck die die streek schitterend in kaart hebben gebracht. Wel, ik blijf daar af. Het zijn twee sympathieke en twee zeer goede schrijvers, die ik erg bewonder. Het is trouwens ook Brief aan Boudewijn van Van Den Broeck geweest dat mij aan het schrijven gezet heeft. Ik las erin dat je gewoon kan leven, en toch schrijven. Ik heb me daar ook heel sterk in herkend. Bij Pleysier gaat het dan specifiek over de taal, de taal die zijn moeder sprak, maar ook mijn moeder. Een tweede reden is dat ik wel van de Kempen kom, maar ik woon en leef in Leuven, en ik leef hier veel gelukkiger en veel beter dan wanneer ik in de Kempen zou leven. Ik ben blij dat ik daar weg ben! Ik woon in een stad – stadje – dicht bij Brussel, ik ben mobieler. Ik loop in de stad en niemand kent mij. Terwijl mijn vier lieve broers, die in een dorp wonen, steeds rekening moeten houden met het oog van de straat. Ze vinden het zelfs prettig om in zo een nest te zitten. Ik niet. Aan de andere kant zat ik wel met die twee verhalen die allebei heel sterk naar de Kempen wezen. En in die zin zijn in het boek de uitspraken over de Kempen zelfs gefilterd door een poging om vriendelijk te zijn. Als ik geïnterviewd wordt door de Gazet Van Antwerpen zeg ik iets anders natuurlijk. Hoewel de mensen in de Kempen altijd zeer vriendelijk zijn. Maar de streek is lelijk, om ver van weg te lopen. En typisch voor Kempenaars is dat je ze op een andere plaats tegenkomt, omdat ze verdorie zijn gaan lopen. Die braindrain is natuurlijk niet goed voor de streek. De Kempenaars verdwijnen, ze gaan als het ware op in de Groot - Brabantse gedachte. Of in de wereld. The boy can leave the farm, but the farm can never leave the boy. Ik moest in die zin die losse wortels die nog in de Kempen lagen een plaats geven.

Het hout van vader

In De Bloemen is er ook plaats voor de “twijfel” die we in uw boeken kunnen aantreffen. Het lijkt erop dat u niet in absolute waarheden gelooft. Denk maar aan de alomtegenwoordige Kempense God die er naar het einde van het boek aan moet geloven.

Ik wil eigenlijk wel getuigen van een tijdsverband. Ik wil graag, zoals Boon het noemde, seismograaf van een tijd zijn, maar dan wel van een andere tijd, en misschien zelfs van een hele eeuw. Mijn grootvader is geboren voor de 1900 en mijn vader is gestorven in 1999, en als ik dat beschrijf, dan heb ik verdorie een hele eeuw vastgepakt. In die zin gebruik ik ook een aantal andere beelden die laten zien dat je met toevallig gevonden materiaal een heel leven kan opbouwen. Bijvoorbeeld marmer, wat bijzonder intrigerend is. Er ligt hier in huis een marmeren blad op een vensterbank. Toen we dit huis gekocht hadden, was mijn vader hier aan het helpen. Op een bepaald moment stapt hij binnen en zet hij zijn voet erop, en het marmer breekt. Die barst is nog altijd zichtbaar. Ze is mij dierbaar omdat ze toont dat mijn vader hier aan het werk was. Marmer zelf is natuurlijk een verstening op een bepaald moment van koraal en steentjes – leven – die plots worden vastgelegd. Of, hierachter is een garage en daarboven is een houtkot. Dat kreeg ik dus ook, het hout van mijn vader. Allemaal latjes en balkjes. Opnieuw, er zijn sommige latjes waarvan ik perfect weer waar ze vandaan komen.
Ook stofjes, zoals in het boek beschreven staat. Als je een trap lang niet poetst, dan krijg je er een filmpje op van het stof dat naar binnen is gewaaid, maar er zit dus alles in. Organisch materiaal van het huis. Schilfertjes, haartjes. En dat vind ik eigenlijk heel interessant; kleine details vastpakken en dan schouwen: dit is het leven. Daar leid ik uit af dat er hier vijf mensen wonen. Toevallige getuigen die inkijk geven in het leven. Zo is het ook gebeurd met de brieven. Op een bepaald moment wil mijn vader die documenten die mijn oom bij ons thuis had weggehaald omdat ze mijn vader ziek maakten, in Antwerpen bij zijn broer gaan halen. Mijn moeder heeft daar echter een stokje voor gestoken. Maar, wie weet, had hij ze meegenomen, dan was dit boek maar half zo dik geweest, of was het er misschien nooit geweest.

Het boek bevat nogal wat geweld, dat steeds de schijnbaar vredige huissituaties komt verstoren zoals het slachten van het varken Mas, de wereldoorlogen, maar evenzeer de aanslag tijdens de meeting en de vechtpartij tussen de verteller en de agressieve chauffeur. Is het boek een afrekening met de verzamelde demonen van drie generaties Peeters?

Achter geweld zit toch vaak een bedoeling, een systeem. Het slachten van een varken is bijvoorbeeld bijzonder nuttig. En zelfs achter het geweld van oorlog zit een soort systeem.
Je hebt in elke familie grote familieverhalen die doorheen de generaties blijven bestaan. Zoals Maria, de zus van mijn vader, die verongelukt bij de molen. Iets waarin mijn vader dan toch een soort rol heeft gespeeld. Dat zijn verhalen die verder blijven bestaan. Zoals bijvoorbeeld de onrechtvaardigheid van de rijke familie die ik in het boek beschrijf, dat zijn toch dingen die overgedragen worden. Ik denk dat die demonen eerder vaste familieverhalen zijn. Onrechtvaardigheid en mislukte ambities zijn zulke vaste onderwerpen; ze komen in alle families terug.

Op het einde van het boek ontmoet u de man die je vader zwaar toetakelde na een meeting. Er is dan een tweedeling te merken tussen uiterlijke rust en innerlijke woede. Is het nu, net zoals de andere dingen in het boek, afgesloten, en geklasseerd?

Ik heb inderdaad bij die man voor de deur gestaan, maar ik ben niet naar binnen gegaan. Ik kwam tot de conclusie dat het helemaal niets zou oplossen. Het had geen zin om een oude man daarover lastig te vallen. Mijn vader heeft aan de zaak geen gevolg gegeven, dus ik hoefde daar ook niets aan te doen. Toch blijft het iets vreemds. Ik heb het allemaal als tienjarige meegemaakt, en, net zoals bij mijn broers, is het toch een soort witte bladzijde gebleven. We weten niet wat daar gebeurd is. En dan opeens kreeg ik een stortvloed aan details in de processen-verbaal die me toegestopt waren, wat er gebeurd was, wie wat gezegd had, al de leugens. Maar het is dus geklasseerd zonder gevolg. Ik was wel heel kwaad toen ik het las en vroeg me af hoe zoiets kon. Nu zouden er hele bladzijde in de krant aan zulke gevallen gewijd worden. Maar toen kon dat blijkbaar wel zonder meer. Zomaar een incidentje in het heetst van de verkiezingsstrijd.

Welke plaats heeft De Bloemen in uw oeuvre? Welke links legt u erin met eerder werk?

De tiende (lacht). Daar zit geen systeem in hoor. Het is wel zo, ik heb me voorgenomen 15 boeken te schrijven, en in die rij is dit het tiende. Elk boek is natuurlijk ook een antwoord op het vorige. Het vorige boek was groot en Europees, de pretentie – al dan niet ironisch – druipt ervan af. Terwijl nu dacht ik eens in te zoomen op een dorp, zij het dan met een link naar Antwerpen en Brussel, en een bepaald tijdsgewricht. Maar het idee ontstaat steeds op een banale manier: een onderwerp inspireert mij, ik begin het te exploreren, en dan krijgt dat een vorm. Ik wil ook altijd een vorm die een stap vooruit zet. Dit is dan een ander soort boek.

Schouderklopjes & vonken

De roman neemt de lezer mee op een reis naar een Vlaanderen dat zich langzaamaan ontwikkelt doorheen de voorbije eeuw. De sleutelmomenten die de geschiedenis van het geslacht Peeters bepalen, bepaalden net zo goed het aanzicht van Vlaanderen zoals het nu voor ons ligt. In hoe verre bent u een kind van de ontzuiling? En is het misschien daarom dat heel wat mensen van uw generatie zich in het boek gaan herkennen?

Ik wilde het godsbeeld van mijn grootvader echt wel beschrijven. Mensen zoals hij kwamen god tegen, die klopte hen op de schouder. Terwijl mijn vader god meer als een soort inspiratie zag. God was voor zijn generatie een soort vonk die de mensen aanporde om iets goeds te doen. En dan ben ik er, die nog wel heel duidelijk zie waar god gezeten heeft, de contouren kan zien van het zwarte gat waar god gezeten heeft. Maar er blijft weinig van over. Ik geef ook het beeld van de fanfare. Ik denk echt dat geloof iets is dat je hoort aankomen. Er is geweldige ambiance, allemaal mensen netjes op een rij, iedereen speelt zijn partituur, de adem valt samen met muziek – iets ongelooflijks. Er is iemand die voorop loopt, en iedereen weet wat hij moet doen. Je bent betoverd door dat spektakel, en je bent geneigd om mee te lopen, en voor je het weet, loop je ook mee in die maat. Maar als je dan de andere kant uitgaat, dan is het weg. En in die zin heeft geloof ook wel een functie, het brengt de mensen samen en begeleid hen in moeilijke momenten. Maar finaal blijft daar toch niets van over.

Het lijkt een menselijke reflex om bij een overlijden terug te kijken op de geschiedenis die de overledene mee heeft gemaakt. Je lijkt het te willen fixeren door te zoeken, het neer te schrijven.

Je kan inderdaad zinvol bezig zijn door het neer te schrijven, en vast te leggen en zo toegankelijk te maken in de vorm van een verhaal voor de mensen die na je komen.
Ik vroeg me voor jullie kwamen ook af of dit boek niet te “oud” zou zijn voor jullie. Het gaat over generaties natuurlijk. Misschien mag je geen kind meer zijn voor dit boek. Wanneer je vader sterft is er verdriet, je kan nooit meer met hem praten, maar het is ook een soort van bevrijding. Plots ligt al dat materiaal daar. Je kan wat vrijer handelen, wat vrijer keuzes maken. Het klinkt misschien kinderachtig, maar dan ben je geen kind meer.

In uw vorige roman – de Grote Europese Roman – schotelde u de lezer een dwarsdoorsnede van Europa voor. In De Bloemen lukt u erin om een “Grote Kempense Roman” af te leveren.`Wat mogen we in uw volgende roman verwachten? Een “Grote Belgische Roman”?

Ik heb net drie weken in Rwanda gezeten. Heel intensief rondgetrokken, weeshuizen gaan bezoeken, theeplantages, koffiefabrieken, genocidenmemorialen enzovoort. Heel interssant. Met de bedoeling iets Afrikaans te schrijven, ja. Het was mijn eerste keer in Afrika. Hoog tijd, zeker als je antropoloog bent, zoals ik. Echt heel interessant.
Ook zustertjes en witte patertjes heb ik geinterviewd. Congo heb ik links laten liggen wegens veel groter en onveiliger. Rwanda leek me veel bevattelijker. Ik heb me er geen enkel moment onveilig gevoeld. Dus na Europa en de Kempen wordt mijn volgende boek een Afrikaroman.

dinsdag 3 november 2009

Meanwhile

"Lectori salutem!" zou mijn innerlijke Guido Cloet zeggen, maar ik ga het toch niet doen. Il y a la manière. Doch ik vond het zelf intussen alweer zo lang geleden dat op deze pagina's nog iets verschenen was, dat ik hedenmorgen besloot daar maar 'ns wat verandering in te brengen.

Het zijn drukke tijden voor uw dienaar, en zoals nu ook weer blijkt is de drukte van mijn werk- en andere aangelegenheden omgekeerd evenredig aan het aantal updates van dit webvehikel. Door toedoen van onze nieuwe bezigheid - de studie der journalistiek - is het met de schrijverij as such maar droevig gesteld. Eén en ander zit in de pijplijn, daar niet van, maar aan het ontcijferen van de bierkaartjes - met - invallen die daaraan ten grondslag dienen te liggen, zijn we nog niet gekomen.

Toch laat Editions Migraine zijn publiek niet geheel in de kou staan, dezer dagen. In de loop van deze (of de volgende) week vindt u alhier de uitgebreide versie van een interview dan collega Sermeus en ikzelve onlangs afnamen van de Grote Vlaamse Schrijver Koen Peeters. (Een missie in opdracht van Veto.) Tevens wordt op dit ogenblik ook de basis gelegd aan de definitieve Watou Playlist. En misschien, heel misschien, komt er nog wel 'n gedichtje of verhaaltje aan te pas.

Lezers die intussen de Boekenbeurs hebben bezocht, zullen zich hebben afgevraagd waarom Editions Migraine aldaar geen stand heeft. Dit alles heeft te maken met een schaalprobleem: de organisatie was niet in staat ons de gevraagde twee hallen te geven, zodat wij nu een alternatieve locatie zoeken voor het multimediale festijn dat onze uitgeverij voor alle geïnteresseerden in petto heeft. Onderhandelingen terzake met de Frankfurter Buchmesse en het Diesterse Begijnhof zijn in volle gang. Blijf dit blog in de gaten houden voor meer info!

vrijdag 18 september 2009

Eerste suite uit het Sigarettenbordeel

In vijf voorlopige flarden.

I came back to find a stranger indeed
-The Cats

PRO

Maat
dit is wat er gebeurt als je
niet oplet niet luistert

Ik vertel het je maar één keer

Ik weet niet of je ooit
hebt gehoord van die gast
die z’n herinneringen liet triggeren
door kleine details

Een koekje bijvoorbeeld of
een kopje thee maar

Ik heb hetzelfde met auto’s
kleine
blauwe
auto’s

Hoe dat komt?

I)

Het was mijn eerste jaar in het sigarettenbordeel en
ik was jong en blond en
onervaren
Ik wist dat er nog heel wat zou
komen
maar ik wist nog bij God niet
wat

Desalniettemin had ik al vlug
de smaak te pakken

En niet alleen omdat zij
als bij toeval van die
hele
grote
borsten
had al zal dat ook wel
meegespeeld hebben

Maar ik dwaal af

II)

Waar waren we ook weer
gebleven? Oh ja

Een poos lang ging het goed je weet wel
drinken op elkanders kosten
en schuifelend
onder dezelfde paraplu naar huis
zowel overdag als bij nacht
-dit alles was zeer gezellig
of wat had je gedacht

Een keer ook heb ik
haar
laten verdwalen ik was
een gentleman in die tijd:
Zij had al een vriendje en
sloeg ik de hand aan mezelf dan dacht
ik zo min mogelijk aan haar
Maar
hoe vaak we ook samen koffie dronken
dat
heb ik haar geloof ik nooit verteld

III)

Ondertussen stond het sigarettenbordeel niet stil
en af en toe deden we iets samen
een excursie
een examen
of een stukje sluikreclame
voor eigen werk;
het hare in het Engels
Ik verstond er geen zak van en vond het
dan maar prachtig

Tevens was haar vader vroeg
gestorven en dat vond ik erg want
dat was de mijne nooit gelukt.

Voor de rest kon ik er ook niet veel aan doen.

IV)

Het kon niet blijven duren
en daar blijkt alweer hoe slecht ik ben
in self fulfilling prophecies
Ik zeg nog tegen haar ik zeg
“Je staat hier sneller terug
dan je denkt je weet niet hoe
dit leven wenkt”
Maar
vooralsnog heb ik geen gelijk gekregen

Die dag maat
reden de treinen
voor een keer
stipt
En voor een keer vond ik
dat heel erg erg
en als het die dag geregend heeft
moet me dat ongetwijfeld hard
op de zenuwen hebben gewerkt.

V)

Hoe lang had je gedacht
dat zoiets duren kon?
Incognito op het balkon niet ver
van het sigarettenbordeel
-in tijdloos protest ter ere van haar-
met een Ultra Light en een kop koffie
de vleesgeworden balorigheid inmiddels

Een
kleine
blauwe
auto
stopt voor de deur

Milliseconden wegduikwerk voor haar
oogopslag

De laatste restjes oude rommel
categoriek de grote doos in
Intermezzo op een terras nabij;
De zon
scheen je kon
niet weten dat ze gauw
haar haren zwart zou verven
tot ziens tot gauw tot nooit niet meer

EPI

Maat
dat was het dan
meer is er niet
dat
weet ik wel
hoe weinig ervan aan is
hoe weinig echt gebeurd
hoeveel bijzaak, kwatsj en
fantasie

Maar als ik ergens een
kleine
blauwe
auto zie

denk ik steeds opnieuw aan haar.

zaterdag 29 augustus 2009

(no title)

Voor Fleur

En
plots hadden we
ons eigen werktuig;
alles moest kapot
en
alles kon kapot
nu

We gingen onmiddellijk aan de slag
en schopten voor de lol
nog wat extra keet
maar
het kot werd grondig
afgebroken

Het stof ging
ook wel weer liggen
en
we aten kersen in het puin

Alsof er voorts niet veel gebeurd was

donderdag 13 augustus 2009

What we did in Watou

Uw dienaar bracht de afgelopen julimaand door in het lieflijke oordschap Watou, op de grens tussen de donkerste diepten van Letermeland en Frankrijk. Niet geheel voor de fun deden wij zulks - al scheelde het niet veel-, neen, er moest wel degelijk gewerkt worden, en zulks in het kader van "Watou 2009: Verzamelde Verhalen #1," oftewel de vroegere Poëziezomers van Watou in het jaar 1 na Mandelinck. Schrijver dezes maakte voor het eerst in zijn bestaan deel uit van het contingent suppoosten dat er een hele zomer lang voor helpt zorgen dat het excrement op de verschillende locaties niet de ventilator raakt. Met wisselend succes, overigens. Doch dit terzijde. Voor het eerst hadden wij ook Kameraad Kodak mee, een analoog Minolta-bakbeest uit het jaar 1995. Als er één reden is voor het feit dat uw dienaar zelf amper op voornoemde prentjes te zien is, dan wel deze: niemand van de hele Watou-crew kon overweg met de nukken van het haperende en zwoegende bakbeest. Maar dat kon de pret niet drukken. Verslag van een maand tussen vakantie en werk.





Kijk, zo zag de opening er ongeveer uit. Met lampionnetjes dus. De lampionnetjes in kwestie waren weinig meer dan papieren zakken met onderin een ijzerdraadframe waarin een kaars vervat zat. Bij de opening, die plaatsvond in een weiland, hebben we vijfhonderd mensen zo'n lampion in de handen gedrukt en hen gevraagd om alstublieft zo min mogelijk met lampion en al in brand te vliegen, en als het even kon er ook van af te zien het omringende gras- en bosland in de hens te zetten. De meesten hielden zich braaf aan dit verzoek, met taferelen zoals het bovenstaande tot gevolg. De lampions kwamen achteraf naar verluidt allemaal in hetzelfde veld over de Franse grens terecht, maar da's een detail.

Het subject van dit weinig flatteuze portret - het kleurenpalet, of het gebrek daaraan, is het resultaat van een doorslaande preset in het ingewand van Kameraad Kodak - is niemand minder dan Jan Moeyaert, de big boss van het hele Watougebeuren. Delegeren, evalueren, managen, deze uit graniet gehouwen geweldenaar kan het allemaal. Wij suppoosten hebben, bovenop ons exuberante loon, onze riante onkostenvergoeding en de overvloed aan lekker eten en drinken op de barbecue na de opening, veel aan hem te danken. Jan Moeyaert is immers de man die ons allemaal proactief leerde zijn. Via e-mail dan nog. The man is a genius.

En hier woonden wij, suppoostjes: De Korenbloem. Dit leeg en te koop staande restaurant aan de Kleine Markt had tegenover vroegere suppoostenhonken het ontegensprekelijke voordeel dat het,voorzover geweten, niet behekst was. (Dat was in de tijd dat de suppoosten tijdens de Powweziezomer het rusthuis bezetten wel even anders.) Alhoewel: wanneer beneden de sjas afgetrokken werd, begon de jacuzzi in de badkamer om onopgehelderde redenen vanzelf te broebelen. Voorts hadden we, na enig gefoefel en gezeur, alle comfort: internet, stromend en bij tijden warm water, gescheiden sanitair, een grote koelkast enzovoort. Op deze foto is te zien hoe een groepje fietstoeristen onze ontbijttafel aanziet voor een caféterras, en vervolgens door een welwillend en veelkoppig personeelsbestand op z'n wenken bediend wordt. Met het verpatsen van zo'n vijf euro aan Aldi-pils en dito koffie verdienden we zo'n achttien euro, bovenop ons zo al riante eetbudget.
De organisatie, die ervaring heeft met dit soort dingen, hield er rekening mee dat mensen van al die conceptuele kunst op het parcours weleens de schijterij zouden kunnen krijgen. Daarom investeerde men in veellagig gemakpapier. En dat allemaal met uw belastinggeld, jawel.

Hierboven ziet u dichter Charles Ducal voordragen voor het talrijk aanwezige publiek in het Parochiehuisje. Die dag waren wij aldaar suppoost. De man, uit wiens werk wij in een vroeger leven met nauwelijks verholen bewondering konden citeren, blijkt in werkelijkheid nog 't meest weg te hebben van 'n typetje van Frank Focketyn. Edoch, één citaatje om het af te leren, uit de bundel "Het Huwelijk" uit 1987.

Gelukkig heb ik nog mijn oude pyjama/met knikkende knieën en slaphangend kruis/die trek ik aan als de vrouw is gaan slapen/ ik hang er de droevige ridder in uit.


Toegegeven, de foto hieronder is een klein beetje geposeerd, maar dat neemt niet weg dat uw dienaar wel degelijk heeft geschreven in Watou. Het gedicht "Daar gaan we weer," dat elders op deze blog te lezen valt, is daarvan al één morzeltje bewijs. Fragmenten uit andere schrijfsels zullen binnenkort ongetwijfeld de weg naar uw computerscherm vinden.

Fauna
Er waren ook heel wat beestjes te zien in Watou. Een kleine greep uit het aanbod.

Bessie het pluchen paard (rechts) werd op een dag de Korenbloem binnengedragen door een collega. Het arme beest was eigendom van de twee heren die het Blauwhuis bewoonden en het - al naargelang de bron - in gips wilden laten gieten voor in hun slaapkamer, dan wel het cadeau wilden doen aan een klein meisje van twaalf jaar. Reden genoeg voor ons om Bessie dus verborgen te houden in ons honk, in de hoop dat de heaumeaux van het Blauwhuis zouden vergeten dat ze Bessie überhaupt ooit in huis hadden gehad.



Dat was echter buiten het alziend oog van de organisatoren gerekend, die het stelen van een pluchen paard niet als goede PR beschouwden voor hun evenement. Paarden stelen is in een streek als Watou nog steeds een delicaat topic, zelfs wanneer het om een pluchen exemplaar gaat. Brecht werd dus gesommeerd Bessie terug naar haar oorspronkelijke plek te brengen, een karwei dat hij met frisse tegenzin aanving. Alvorens terug te keren, bezocht Bessie het hele parcours, wat streng verboden was, aangezien Bessie geen toegangskaartje had. Op deze foto zie je Bessie niettemin in de kelder van de brouwerij.

Bessie was echter niet het enige vreemde beest in Watou. Op deze foto zie je een zeldzame West-Vlaamse kerkuil. Het feit dat 'ie zich niet in een kerk, maar naast een schoorsteen bevindt, is een eerste aanwijzing dat hij zich niet al te lekker voelt. Het feit dat 'ie zich, hoewel een nachtdier zijnde, overdag vertoont, is een tweede. Niet dat wij dat zelf verzinnen, hoor: twee leden van de Bende van de Bosklapper of een aanverwante geitenwollensokkenclub, die toevallig over het hek van 'n locatie waren gekropen - een praktijk die wij niet aanmoedigen - waren zo vriendelijk ons zonder veel folterpraktijken van onzentwege te vertellen waarom ze zulks gedaan hadden. Bleek dat het een unieke kans was om dit zeldzame, zij het dus ietwat verwarde beest te aanschouwen.
En dit is één van de katten op het Blauwhuis; in totaal liepen er vier rond, die in een eeuwigdurende territoriumstrijd verwikkeld waren. Dit gitzwarte exemplaar droeg al vanaf dag één mijn voorkeur weg, en dat was wederzijds. Zwarte katten hebben echter de reputatie ongeluk te brengen. Omdat zulks geen goede reclame is, besloten we met z'n allen dit feit te downplayen door het sinistere, maar tegelijk ook snoezige beest de naam Flodderke te geven.

Tot slot was er nog den aap, een kunstwerk van Toni Matelli, en één van de frappantste bezienswaardigheden in Watou dit jaar. Zelfs na drie dagen werken op het Rusthuis was het voor schrijver dezes nog steeds schrikken om deze gehavende primaat aan te treffen, nota bene in het gezelschap van een klein plastic sculptuur, voorstellende twee zeehondjes die liggen te sterven in een plas olie. Het kleine jongetje op de foto staat er vooral bij omdat z'n knalroze T-shirt mooi paste bij het kanariegeel van de kamer. Zulks zou een mooie kleurenfoto kunnen opleveren, maar Kameraad Kodak dacht er die dag duidelijk anders over.


Leut ende vermaak

De boog kon natuurlijk niet altijd gespannen staan, en dus hadden we tal van nevenactiviteiten voorzien. Eén van de favoriete bezigheden in Watou was trouwens verjaren. Hier is Anne-Sophie aan de beurt...





...en hier Judith. Haar verjaardag vierden we met 'n picknick in de tuin van het rusthuis, in de schaduw van het aldaar neergepote pissijn van Elmset en Dragqueen. Tot spijt van heel wat bezoekers wie het water zowat aan de lippen stond, was voornoemd pissijn niet functioneel. Maar dat kon onze pret niet drukken, getuige het jolijt dat ontegensprekelijk van de gezichten der geportretteerden afdruipt.
Na een dag hard werken streken de suppoosten steevast neer op het terras van café 't Brouwershof. De rooie rakker op deze foto is collega Jonas, die zich die dag 'n klein beetje had laten verbranden in het zonnetje.


Op hetzelfde terras liet ook Brecht zich gewillig fotograferen.

Nu goed, af en toe wil een mens toch eens naar het buitenland, en dus trokken we op een avond onze stevigste stapschoenen aan om de vijfhonderd meter van de Korenbloem tot aan de Frans-Belgische grens te overbruggen. Gelukkig was er een café in de buurt met de toepasselijke naam La Frontière Belge, want van al dat stappen krijg je toch wel dorst. Watou is zo ver van de beschaving verwijderd dat wanneer je er Belgisch bier wil drinken -in casu een frisse Jupiler -, je de grens over moet.Waarom Veronique (rechts op de foto) een lepeltje op haar neus heeft, zal wel nooit helemaal duidelijk worden.




En dit is Dirk, de patron van het Brouwershof. Op eenvoudig verzoek brengt Dirk, geruggesteund door een even uitgebreide als nukkige geluidsinstallatie, klassiekers uit het betere Vlaamse lied en het Franse chanson.



Watoustock

Eén en ander kende een dramatisch culminatiepunt op 15 juli 2009, toen de eerste editie van Watoustock - een kolderieke avond voor en door suppoosten en andere randgevallen -doorging in het Brouwershof.
Hieronder zie je Anne-Sophie, Franciska en Pieter ijverig aan het werk met het keyboard van Dirk. Pieter zou me bij die gelegenheid vragen of ik een tenor had. Ik voelde me de rest van de dag alsof hij me een oneerbaar voorstel had gedaan. Wat Pieter op deze foto precies aan het doen is, is overigens met geen mogelijkheid meer te achterhalen.


We hadden die avond ook 'n speciale gast. Fleur was helemaal vanuit de Belgische hoofdstad naar Watou gekomen om haar gedichten voor te dragen en op fotogenieke wijze sigaretten te roken voor het alziend oog van Kameraad Kodak. Which is nice.




En hier is Fleur dus aan het voorlezen. Zelf traden wij ook op, maar omdat Kameraad Kodak zijn kuren krijgt van zodra ik hem uit handen geef, heb ik er zelf geen foto's van. Voor de volledigheid kan ik wel meegeven dat mijn bijdrage bestond uit het voorlezen van het "Requiem voor de laatste cowboy" en een zich in een erg rudimentair stadium bevindend Johnny-Brosverhaal, waarover in een volgende post ongetwijfeld meer. Tevens was ik gelast met de presentatie, hetgeen geen simpele klus was, zeker niet nadat we out of the blue besloten hadden een tweede, onvoorbereid gedeelte aan de avond vast te breien.

Ook Dirk liet zich niet onbetuigd.


Maar goed, aan alle mooie liedjes komt een eind. Nadat we 't Brouwershof hadden helpen sluiten, besloten we -dronken vandalen die we zijn - keet te gaan schoppen. Aangezien we nog twee maanden in Watou zouden verblijven, waren we zo slim om voornoemde keet niet in Watou zelf te gaan schoppen, maar wel in het dorpje Houtkerque, vlak over de Franse grens. En omdat wij linkiewinkie intellectuelen zijn, schopten we keet met een Belgicistisch tintje. L'union fait la farce.

Een tweede editie van Watoustock vond plaats begin augustus. Daarbij was uw dienaar niet aanwezig, maar de avond werd wel onsterfelijk gemaakt in de documentaire van Jade Corbey Why don't you fetch me another sausage, Mike?

Envoi


Ziezo. Met bovenstaande nietszeggende prentbriefkaartfoto sluiten wij volgaarne ons verslag van drie weken Watou af. Watou 2009 loopt nog tot 6 september, van 14 tot 19 uur (op zon- en feestdagen vanaf 11 uur.)Tickets kosten 10 euro als u een grote mens bent, voor studenten en ander klein grut wordt dat 5 euro. Pluchen paarden mogen gratis.

vrijdag 31 juli 2009

Daar gaan we weer

Jep, daar gaan we weer. Na een uitgebreid zomerreces in Watou - waarover binnenkort veel meer- pikt Editions Migraine de draad weer op, en wel met onderstaand gedicht.

Daar
gaan we weer
de hartenknakker cowboy
verschuift van schouder zijn
geweer
en
rond de keukentafel dansten
zij nog een keer
zuchtend
de tango d'amore

Ik wil je al mijn modderverhalen wel vertellen
maar niet nu

Op zolder lagen de herdekens bij nachte
diezelfde stilte af te wachten
hopend op het imprévu
van cowboy hey wat doe je
nu?

Cowboy hey wat doe je nu?

woensdag 17 juni 2009

Voor muzes van jaren her.

Zij rookt mijn sigaretten
niet
Zij kust
niet noch zij streelt
En toch
hou ik van haar

Omdat ik eens
haar blikken stal

Heb ik mezelf
Verbannen
Haar beeld mijn
reservaat
waarin ik slechts kan
dromen
En haar glimlach
Prikkeldraad
Die blijft
haken
In mijn huid op
nachten dat ik
wakker ben in het
diepzwart van
haar haren
Tot ik

Ziek

de ogen sluit
voor de dag die
fonkelt
om haar lippen

donderdag 21 mei 2009

Second Thoughts

Uit de tijd dat wij nog nominaties haalden bij de literaire prijs van Babylon.

Die ochtend, bij het tandenpoetsen, moet je plots weer aan hem denken, niet? Het verrast je. Je bent niet het soort meisje dat zich tijdens haar ochtendritueel laat overvallen door dat soort van hinderlijke muizenissen. Je vindt het nog vreemder dat je het niet hebt zien aankomen in de spiegel boven de wasbak, die zoals altijd je schuimende mond en zorgelijke blik terugkaatst zonder enige franje. Vertwijfeld sluit je je ogen, de tandenborstel mechanisch heen en weer bewegend in je mond.

Afgelopen zomer heb je hem ontmoet. Aan zee was dat, waar hij verbleef in het appartement van zijn grootouders. Hij had Bertje overgehaald om een weekend naar zee te komen en Bertje had jou uitgenodigd. Ze kenden elkaar blijkbaar al heel lang, die twee, want gedurende de hele tergend lange treinreis had Bertje zitten vertellen over die mysterieuze vriend van hem. Zo te horen moest er een enorm steekje los zitten aan die kerel. Tegen de tijd dat je aankwam aan zee, was je zijn verhalen, waarvan je aannam dat Bertje ze systematisch had zitten aandikken, zo beu dat je zelfs geen zin meer had om die vriend in levenden lijve te ontmoeten. Of misschien nog net wel, maar dan enkel om met je eigen ogen te kunnen zien dat Bertje, dat stuk onbenul, weer maar eens schromelijk overdreven had.

Bij het uitstappen had je je mening echter moeten herzien. Amper stond je op het perron of daar dook, schijnbaar vanuit het niets, een kerel op Bertje toe, die hem vastklemde op een wijze die het midden hield tussen omhelzen en wurgen, intussen luid roepend van : “Bértje my man! Alles bueno? Verdomme,verdomme!” Daarop had hij jou in de gaten gekregen. Zijn zwarte ogen achter een zware bril hadden schaamteloos in de jouwe gekeken, vlak voordat hij je uitbundig op de wang zoende. Zijn adem rook naar het soort zoete drankjes dat men ’s zomers op caféterrassen pleegt te schenken en waarvan je er probleemloos tien na elkaar kunt drinken zonder je dronken te voelen. “Jij moet dinges zijn,” had hij gezegd, waarop Bertje beamend in zijn richting geknikt had. “Ik heb veel over je gehoord,” had hij eraan toegevoegd, met een vette knipoog die je ongemakkelijk had doen glimlachen.
“Ik ook over jou,” had je bedremmeld geantwoord. Vervolgens had hij, zonder dat je het hem gevraagd had, je koffer van je overgenomen en terwijl hij ronduit taterde tegen Bertje – hij excuseerde zich voor zijn nervositeit, omdat hij net gestopt was met roken - waren jullie met z’n drieën over de zeedijk tot bij het appartement gewandeld.

Je opent je ogen. Geef toe dat het je nog allemaal haarscherp voor ogen staat. Dat het allemaal terugkomt : hoe hij quasi - achteloos zijn arm om je middel had geslagen nog voor je het appartement betreden had, dat uit zijn ogen een waanzin straalde die heerlijk besmettelijk leek, dat je samen met hem gegrinnikt had om de onbenullige verhalen van Bertje, dat hij in je oor fluisterde: “Wij begrijpen elkaar,” dat je had gedacht dat er iets beloftevols school in de waanzin die hij uitstraalde, dwars doorheen zijn hagelwitte T-shirt, een waanzin die weerkaatste in de glans van zijn ravenzwarte haar, dat je gemeend had het in je te voelen stromen doorheen de verzengende aanraking van zijn hand om je middel. Geef maar toe dat het terugkomt. Dat jullie die avond een feestje gebouwd hebben in dat appartement met zicht op zee. Dat hij gitaar speelde en daarbij schor en extatisch zong. Hij had geschifte verhalen verteld waar Bertje schaapachtig om had moeten lachen. Dat je door zijn haar gestreeld had en hij je schouders masseerde en dat je hem niet had tegengehouden toen hij een kus in je hals drukte, dat zijn handen, onzichtbaar voor Bertje, die zwijgend van zijn bier dronk, de binnenkant van je dijen beroerd hadden. Je hebt je knieën zelfs tegen elkaar gedrukt om die hand te vangen, heel even maar, om de sidderende, waanzinnige elektriciteit ervan behaaglijk door je lichaam te laten stromen.

Plets maar gauw wat water over je gezicht om bij te komen. Het neemt niet weg dat jullie niet eens zoveel later Bertje voor de televisie hebben achtergelaten met nog een biertje en dat jullie de slaapkamer zijn ingedoken. Als je die nacht al dronken bent geweest, wist je desondanks dat de ontnuchtering snel zou volgen. Dat hoopte je alleszins. Je hebt niet eens lang gewacht om te ontnuchteren. Na de zomervakantie besloot je al snel om hem nog eens te gaan opzoeken in de studentenstad waar hij nu woonde. Hij had je immers zelf uitgenodigd, nietwaar? Je had kunnen weigeren, maar je deed het niet. Was het niet omdat je met eigen ogen wilde zien hoezeer hij veranderd was, wat er nog van hem overbleef nu hij zich had overgegeven aan het studentendom, waarop hij zich – volgens Bertje - had geworpen met een waanzin die bij jou herinneringen opriep die Bertje nooit zou kunnen bevroeden?

En daarbij, geheel terzijde, is je vriendje het niet ooit te weten gekomen?

Ontnuchtering, dat is het woord wel. Toen hij de deur van zijn studentenkamer voor je openmaakte, had je aan één oogopslag genoeg. Hij straalde nog steeds dezelfde waanzin uit, maar hij was veranderd. In zijn ogen lag nog slechts de doffe glans van oude nikkelen munten. Zijn gebaren waren breed maar houterig en zijn stem klonk nog wel luid, maar vermoeid, alsof het hem ontiegelijk zwaar viel om zijn waanzin overeind te houden. Zijn kus was kort en koel, zijn lippen droog en koud. Zijn kleren waren doordrongen van de geur van koffie en sigaretten, dezelfde geur die in de hele kamer hing. Je moet wel toegeven dat hij vriendelijk geweest was. Drankje, snoepjes, sigaretten, die je weigerde. Krankzinnige verhalen over zijn wedervaren in de studentenstad, maar enkel omdat jij erom vroeg. Geen woord over de zomervakantie. Geen woord over Bertje. Na het laatste verhaal nog slechts stilte. In die kille stilte was het, dat je hem hebt aangekeken met genadeloos borende ogen. Zeker, zijn jas was nonchalant neergegooid op zijn bed, maar wel zo dat je het etiket van Burberry duidelijk kon zien. Zeker, de manier waarop hij zijn sigaret aanstak kon niet nonchalanter, cooler, zijn, maar de grimmigheid waarmee hij zijn peuken platdrukte in de asbak vertelde een heel ander verhaal, dat je bang maakte. Daar en dan heb je hem ontmaskerd, genadeloos, automatisch. Nu zag je dat hij zo’n jongen was die elke ochtend zijn poses oefent voor de spiegel, er misschien zelfs tekst bij verzinnend en intussen zijn kapsel fatsoenerend. Je zag hoe hij zijn vierde sigaret in een uur tijd opstak. Om iets te zeggen, heb je toen gevraagd of hij dan niet gestopt was met roken.
“Ik ben gestopt met stoppen,” antwoordde hij ; je had kunnen weten dat hij dat zou zeggen.

Zonder een woord te zeggen ben je daarna opgestapt. Hij is je niet achterna gekomen. Je had het kunnen weten.

Draai nu het dopje maar op de tube tandpasta. Haal de kam door je haar. Glimlach maar naar je spiegelbeeld tot je de juiste smile gevonden hebt. Doe het licht uit in de badkamer. Neem je tas en wandel de straat in. Alles ligt er nog hetzelfde bij, maar je doet niet de moeite om het op te merken.

vrijdag 8 mei 2009

Requiem voor de laatste cowboy

Dit schrijfsel werd door de jury van de Leuvense Write Now! - voorronde bedacht met een derde prijs. "Toch beloont de jury graag inzendingen die cowboys in het zonnetje zetten." Waarvan akte!


Wat drijft de laatste cowboy? Op dit moment is het een relevante vraag. Op het acute af relevant is die vraag. Immers: de laatste cowboy houdt het niet lang meer. De laatste cowboy heeft het zitten.

Met zijn pak van indigo jeans en de blutsen in zijn gezicht, met zijn ouderwetse walkman om de oren en een sigaret in zijn rechtermondhoek geschroefd, wacht de laatste cowboy op de bus. Temidden van de mensen. Die kijken naar de laatste cowboy. Want dat hebben ze nog nooit gezien. Eerst werden ze zeldzaam, cowboys. Toen waren er bijna geen meer. Nu is er nog één. En dan nog: die heeft het zitten. Die loopt niet ver meer. Desalniettemin stapt de laatste cowboy als eerste op de bus.

Het is niet altijd even fijn de laatste cowboy te zijn. Het geeft je zelfs geen recht op een zitplaats. Je mag niet gratis rijden. Als je vijfenzestig bent, mag je dat wel. De laatste cowboy weet nu echter met zekerheid dat hij daarop niet meer hoeft te hopen. Hij is wel oud want hij is de laatste, maar hij wordt geen vijfenzestig. Dat bedenkt de laatste cowboy en hij draait de volumeknop naar rechts. Loving Spoonful. Tom Jones. “Wake up Little Suzy” van de Everley Brothers. De mensen kijken hem vreemd aan. Ze hebben geen boodschap aan de laatste cowboy of aan zijn muziekjes. Ze wringen en drummen om niet in zijn buurt te staan. Wanneer de bus bij hun halte stopt, wringen ze zich langs hem heen naar de deur zonder zich te excuseren. “Waarom?” vraagt de laatste cowboy zich af. “Het heeft nog weinig nut. Ik heb het zitten. Voor mij hoeft het zo niet meer.”

Steeds leger wordt de bus, maar de laatste cowboy gaat niet zitten. Hij blijft tegen een stang geleund, klemt ze vast in de bochten, lijkt eraan vast te groeien. De weg leidt langs weiland. De laatste cowboy ziet de koeien. Hij ziet het prikkeldraad. De koeien achter het prikkeldraad. Een moment later zijn ze weer weg. De laatste cowboy krijgt de tranen in de ogen. Hij snikt. De bus rijdt immer rechtdoor. De mensen staren de laatste cowboy aan. Het doet hem iets maar ook niet veel. De laatste cowboy snuit zijn neus en snikt. “Ik heb het zitten,” mompelt hij, maar niemand die het hoort.

Bij de laatste halte stapt de laatste cowboy uit. Achter hem klappen de portieren dicht. De chauffeur blijft hem nog lang nastaren, in de achteruitkijkspiegel. De laatste cowboy, een terugblik. “De laatste,” denkt de laatste cowboy. “Hij ziet me niet meer terug. Ik hem evenmin. Dag. Hij keek niet eens vriendelijk.” De laatste cowboy steekt een sigaret op en slentert bij de bushalte vandaan. Hij heeft geen haast.

Bij het knapperende haardvuur kijkt de laatste cowboy naar het testbeeld. Hij zou wel een borrel lusten, maar de fles is leeg en de winkels zijn dicht. Hij zou wel een hotdog lusten, maar hij heeft geen honger. Er beweegt niet veel op het scherm. De laatste cowboy laat zich achteroverzakken en knijpt zijn ogen stijf dicht tot er één traan over zijn neus glijdt en op de glitterknopen van zijn indigo hemd valt. “Is dit nu melancholie?” vraagt hij zich af. Buiten ruist af en toe een auto voorbij, loeit een koe. De laatste cowboy heeft geen flauw idee. Aan wie moet hij het vragen? Hij is de laatste. En binnenkort, ja heel binnenkort, is er zelfs geen laatste cowboy meer.

Immers, hij heeft het zitten. De dokter heeft het gezegd en er is niets meer aan te doen. De laatste cowboy heeft het zitten.

De laatste cowboy doet niet eens de moeite om te bedenken wat hij nog allemaal zou willen doen. Het zijn teveel dingen om op te noemen, teveel om nog snelsnel aan te beginnen voor het te laat is. Want het is al héél laat voor de laatste cowboy. Nog geen vijf voor twaalf maar het scheelt niet veel. De horizon is al in Cinemascope en Technicolor op het scherm te zien, de muziek zwelt al aan. Het is enkel wachten op de grote, glanzende krulletters “The End.” Aldus.

Er beweegt niet veel op het scherm. Stokstijf naast het haardvuur staart de laatste cowboy ernaar. “Waarom?” denkt de laatste cowboy. “Wat is hiervan de zin?” Ook hier tikt het klokje zoals het nergens anders tikt. Hoewel. Steeds in dezelfde richting. Gestaag voorbij de vijf van vijf voor twaalf. Buiten ruist af en toe een auto voorbij, loeit een koe. “Een koe/ is een merkwaardig beest,” denkt de laatste cowboy. Zonder bijgedachten denkt hij dat. Hij zet zijn walkman op en draait de volumeknop naar rechts. Bobbejaan Schoepen. Hank Williams. De laatste cowboy pinkt een traantje weg. “Een mooi gevoel, melancholie,” denkt hij. “Alleen spijtig van dat gesnotter.”

Wat drijft de laatste cowboy? Voor wie moet hij het nog doen? Voor wie haalt hij zijn hoed van de haak? Waarom brengt hij op gezette tijden zijn indigopak naar de stomerij? Voor wie poetst hij zijn laarzen?

“Voor wie?” denkt de laatste cowboy. “Waarom?”
Hij pookt in het smeulende haardvuur. Zonder haast. Zonder veel overtuiging. Pookt de laatste cowboy in het smeulende haardvuur. Hij houdt het niet lang meer. Hij heeft het zitten. En wat dan nog.


donderdag 16 april 2009

Jack Kerouac en de nostalgie






Voor wie zich afvraagt waarmede wij ons dezer dagen bezighouden.



On The Road is de allereerste Engelstalige roman die ik ooit kocht. Jaren geleden is dat. Zo’n schreeuwlelijke Penguinuitgave met een omslag vol foto’s van Route 66, sleeën met staartvinnen, en een pasfoto van Jack Kerouac en zijn vriend Neal Cassady, die –gemystificeerd tot Sal Paradise en Dean Moriarty – elkaar doorheen het boek gezelschap zullen houden. Alle clichés op een hoopje, nog voordat we één letter achter de kiezen hadden. Verpinguïnd. Maar goed, niet teveel gezeurd. Per slot van rekening had ik het boek hoegenaamd niet om zijn covertekening gekocht.

Kerouacs bekendste roman is de quintessentiële road novel, een boek dat sinds zijn publicatie in 1957 – en niet in het minst door toedoen van de sensatie die ermee gepaard ging - is uitgegroeid tot de basistekst van de tegencultuur, een cultboek. De bijbel van de beats: een allitererend epitheton dat de lezer voorafgaat en hem/ haar voor lijkt te bereiden op een slordige 250 pagina’s seks, drugs en rock ’n roll. Hedonisme. Escapisme. Reden genoeg althans om met tintelende vingers aan het lezen te gaan.

Kan het anders dan tegenvallen? On The Road is als roman eigenlijk verpest door zijn receptie en de mythes die rond de tekst en zijn auteur zweven. Ja, in het boek wordt veel van hot naar her gecrost in vaak gestolen auto’s. Ja, er wordt lustig op los gerookt en geslikt, wijl uit de jukebox loeiharde bebop opklinkt. Ja, er wordt niet al te moeilijk gedaan over seks. En ja, de link tussen feit en fictie is niet moeilijk te leggen. Maar dat neemt niet weg dat onder dat vaak hedonistische oppervlak een heel andere, veel introspectievere tekst schuilt. Een niet altijd even consistente roman, met een schuchtere verteller, Sal, die achter zijn haast übermenschliche hoofdpersonage Dean aanscharrelt tot ook hij de rol moet lossen – in Mexico, nota bene - en zijn leven on the road dan maar de rug toekeert. Hij gaat in New York samenwonen met een meisje dat goed chocolademelk kan klaarmaken, en wanneer Dean een laatste keer bij zijn vriend komt aankloppen, kan Sal zelfs geen lift naar het station meer versieren voor zijn vroegere boezemvriend; als anticlimax kan dat tellen. Bovendien is het meest voorkomende adjectief in het hele boek sad. Niet bepaald de geijkte manier om een losbandige levensstijl te promoten, dunkt me. Waarom hadden de lezers en recensenten van het eerste uur dat dan niet door? Waarom domineert meer dan 50 jaar later de sensatie van toen de lezersverwachting van nu?
The Age of Anxiety

Om er maar meteen een dooddoener tegenaan te gooien: On The Road is een boek uit een andere tijd. De roman stamt uit een periode die onmiddellijk voorafgaat aan het ontstaan van een wijdverspreide jongeren – en tegencultuur. In het conservatieve Amerika van die jaren slaat Kerouac’s roman in als een bom. Het zijn de jaren van Mc Carthy en het IJzeren Gordijn. Het zijn de jaren waarin suburbia om zich heen grijpt als nooit tevoren. James Dean is alweer twee jaar dood. Elvis Presley, de King of rock ‘n roll, wordt bij TV-optredens gecensureerd en ontsnapt niet aan zijn legerdienst. In dit Amerika vormt de kliek van Kerouac en zijn controversiële beatcollega’s al jaren een ondergrondse minderheid, wat op zich al reden genoeg is om hen als verdacht te beschouwen. Amerika beleeft een age of anxiety zonder weerga, onder de sublieme dreiging van de Sputnik en de atoombom. Zelfs Kerouacs protagonisten ontgaat de dreiging niet. Maar zij kiezen voor extase en escapisme, in plaats van de angstvallige duck-and-cover mentaliteit die Amerika in zijn greep houdt.

Hoeft het dan te verbazen dat het publiek focust op de spectaculairste passages, en voor de handigheid maar doet alsof de talrijke introspecties van de hoofdpersonages er niet toe doen? De roman levert stof genoeg voor een verhit debat over zedenverwildering en (jeugd)delinquentie – een debat dat in die jaren ook op het witte doek opgeld maakt, met films als Blackboard Jungle, The Wild One en de quintessentiële Rebel Without a Cause. Kerouac’s pogingen om uit te leggen dat de transcontinentale queeste van zijn hoofdpersonages religieuze trekjes heeft, gaan in het gewoel verloren. De mythe dat het boek al in 1952 zou zijn geschreven tijdens een dagenlange rush onder invloed van benzedrine, helpt de zaak niet vooruit. Men ontdekt zijn vrienden, waaronder William Burroughs en Allen Ginsberg. Men spreekt over een Beat Generation, waarvan Kerouac, zeer tegen zijn zin, als de aanvoerder wordt gezien. Dat imago zal zijn ondergang worden; een verbitterde Kerouac zal uiteindelijk zelf nog amper het verschil maken tussen mens en mythe en sterft in 1969 roemloos aan de gevolgen van jarenlang alcoholmisbruik, jaren nadat hij zich uit het publieke leven had teruggetrokken. Het is niet toevallig het jaar waarin de film Easy Rider de reputatie van On The Road nog wat verder de verkeerde kant opduwt.

Anywhere road for anybody anyhow.

Nochtans is On The Road een boek over Amerika, punt. Het mythische land met de omvang van een continent wordt een medespeler, zoniet een onontkoombare invloed voor de protagonisten, die de immense afstanden en oppervlakte gebruiken als projectiescherm voor de zoektocht naar hun eigen identiteit. Als jongmens. Als naoorlogs individu. Als Amerikaan. Sal en Dean herbeleven op fragmentarische wijze de collectieve mythes van de pionier, de cowboy, soms zelfs de settler, in dat schijnbaar eindeloze land, dat echter in ijltempo kleiner wordt. Het vervelende besef dringt zich op dat ze niet anders kunnen dan deze voorouderlijke ervaring overdoen en parodiëren, dat er voor hen uitwendig niets meer te veroveren valt. Zelfs wanneer de hoofdpersonen naar Mexico afreizen en daar een bedwelmende conquista voeren van een in alle opzichten aards paradijs, dringt zich het besef op dat er enkel een weg terug is, en de werkelijke ontdekkingen innerlijk zijn, en spiritueel. Sal blijft ziek achter, Dean is niet te houden en reist verder, alleen, tot zijn auto het begeeft, waarna hij de tocht met het vliegtuig voortzet. De beweging, het on the road zijn, is voor hem een doel op zich geworden. Stilstand brengt in On The Road steeds problemen met zich mee, conflict, ziekte.

I think of Dean Moriarty.
Voor de ogen van Sal Paradise komt Amerika tot leven in de figuur van Dean Moriarty. Dean is de onbetwiste protagonist, en zeker in het eerste deel van de roman spreekt Sal over zijn makker met een mengsel van bewondering en jaloezie. Immers, hoe hard Sal ook zijn best doet, Dean imiteren of bijbenen kan hij niet. Sal is de eeuwige outsider, East Coast, van vaag-Italiaanse afkomst, opgevoed door een tante, die zelfs in zijn eigen verhaal het frontplan afstaat aan zijn vriend Dean, die al van kindsbeen af het Amerikaanse continent doorkruiste en er zich op alle gebied schijnt thuis te voelen.
En toch. Al bestempelt Sal zijn vriend als een holy goof, ook hij moet uiteindelijk erkennen dat Dean even schijnheilig als heilig is. Moriarty heeft een andere kant, die van de con man, de opportunistische praatjesmaker die er niet voor terugschrikt zijn beste vrienden te bedriegen om zijn zin te krijgen. De keerzijde van de American Dream. En zelfs dan kan Sal niet kwaad blijven op zijn held. “I think of Dean Moriarty,” zo eindigt het boek, een van de meest melancholische slotpassages uit de Amerikaanse literatuur.

Nostalgie?

“Een andere tijd,” het is hierboven al eens vermeld. Het is een cruciale dimensie voor de interpretatie van On The Road. Het is een boek dat verscheen in de late jaren ’50, een cultstatus bereikte in de jaren ’60, maar eigenlijk handelt over de late jaren ’40. Wanneer het boek, na jarenlange aanpassingen en uitgebreide censuuroperaties, alsnog verschijnt, liggen “de feiten” alweer zo’n tien jaar achter de rug. Kerouacs lezers van het eerste uur krijgen in hun suburbane walhalla een beeld voorgeschoteld van een (binnen)land dat vlak na de Tweede Wereldoorlog nog afrekent met de gevolgen van de Grote Depressie en de Dust Bowl. Echo’s van Steinbeck en misschien zelfs Caldwell klinken op in de vele ontmoetingen met ontheemde farmers en Mexicaanse seizoensarbeiders. Ook de hobocultuur speelt een grote rol in het boek; niet voor niets is Dean Moriarty’s onvindbare vader één van hen. Het waren subculturen die voor Kerouacs ogen bezig waren met uitsterven, terwijl “de beschaving”, ditmaal in de vorm van een conformistische consumptiemaatschappij, aan een tweede veroveringstocht over het continent begon. On the Road is een blue-collar ode aan dit Amerika dat binnen afzienbare tijd nog slechts in verhalen zou bestaan. Tegelijkertijd twijfelen zijn personages tussen de vlucht vooruit – het non - conformisme van de Beat Generation – of opgaan in de nostalgie. De weg terug gaapt, maar wordt slechts met tegenzin aangevangen. Beat kan van alles betekenen, maar in laatste instantie ook “verslagen.”

Kerouac zou de thematiek van On The Road blijven hernemen in zijn latere werk, vaak in een veel minder conventionele vorm dan de keurige vijfdelige structuur van zijn bekendste roman. Met On the Road sloeg Kerouac immers nog maar net de weg in van een “spontane” schriftuur, die in haar ritme en patronen de intense en buitenissige realiteit van “Amerika” poogde te vangen. Niet al die werken zijn even gemakkelijk leesbaar, laat staan even geslaagd. Kerouac had een oeuvre voor ogen dat, indien het eenmaal zou zijn voltooid, een samenhangend fresco zou vormen van de tijd en het land waarin hij leefde. Zijn vroegtijdige dood zorgde er helaas voor dat het fresco onvoltooid bleef, en er in de big picture nog grote gaten zitten. On the Road is echter een mooi en bij tijden magistraal beginpunt om het oeuvre van Jack Kerouac, zijn tijd en zijn land te ontdekken.

dinsdag 7 april 2009

Stad '06

An oldie but a goodie, compleet met motto.

Een man veegt scherven bij elkaar
En metselt zerken in de grond
Ik wandel door dit doodsgevaar
Omdat ons huis hier vroeger stond

-“Aeneas Nu”, B. De Groot

Ik kom
terug

heb
in deze stad gewoond
vroeger

nu ben ik nog slechts
passant

een huis van zeven
jaren
verlaten en verkocht
wordt langzaamaan
gesloopt
bij elk gat in elke
huizenrij
kan ik zeggen wat er was

elke straatsteen die
verdwaalt
weet ik terug te brengen

met mensen ligt het anders
inpakken wegwezen
horen zien en zwijgen
vergeten want verdwenen

There’s no home for you here

Ik ga

maandag 30 maart 2009

Lieve Liv

Vanochtend werd ik wakker en de zon scheen. De eerste lenteochtend van het jaar. Het was niet koud, maar plagerig fris. Er stond geen wind. En er was lentezon, wat het tegenovergestelde is van herfstzon. Het is licht dat blijft liggen.

En toch was het weer vechten om op te staan. Het went nooit, alleen ontwaken. Zelfs als je nooit anders hebt gekend. Het went nooit. Het was vechten om die ogen open te spalken, vechten om de dekens terug te slaan, de weerzin te overwinnen voor mijn eigen blote voeten op de koude vloer. En vechten tegen het eerste woord van de dag, dat ook het laatste is: Liv.

Een tijdje terug was ik aan zee. Op het strand de bekende keuze, die geen keuze is: linksaf, of rechtsaf, maar daarna alleen nog maar rechtdoor. Het was er koud en nat en guur; ik had er niets te zoeken. En pas veel later kwam het besef: altijd weer kom ik te laat, zijn er alleen nog jouw onvermoede voetsporen om in te treden, straathoeken waarachter je net verdwijnt, binnenplaatsen en een laatste vleugje van je parfum. A waft of air en dan niets meer.

“Liv” zeg ik. “Liv,Liv,Liv,Liv,Liv,Liv.”

Was ik maar telkens sprakeloos geweest,verboden aan te plakken, in plaats van die schaarse momenten vol te kladden met bubbels van niets, met de haken en ogen van de automatische piloot, met het gekwaak van die kikker in mijn keel, met…met…

Na de laatste keer kwam ik thuis en hing er één haartje van jou in het velours van mijn jas.

Rien ne va plus dezer dagen. Dit soort ochtenden blijkt dodelijk te zijn,ondanks de lente en ondanks het licht. Net op dagen als vandaag, zo zegt de radio, zit de lucht bomvol rotzooi. En ik stap naar buiten, adem met volle teugen en denk dat het helpt en dat het zo gezond is. Ik kan geen kant meer op.

Was je er echt al die tijd, Liv? Heb ik jou al die tijd maar op een haar na gemist? Heb je het geweten en heb je het zo gewild? Weet het mij te zeggen. Het went nooit.

donderdag 19 maart 2009

Heerhugowaard

Eén jaar geleden overleed Hugo Claus. Onderstaand stuk verscheen in B-Magazine en deed later dienst als verjaardagscadeau.


I
Antwerpen, 29 maart 2008. Negen uur des morgens, en ik bevind mij tussen twee dranghekkens op het pleintje voor de Bourlaschouwburg, in het gezelschap van een jongedame die we nu maar even Ella zullen noemen. Het idee om de herdenkingsplechtigheid voor Claus bij te wonen is geheel het hare, het idee om mij er mee naartoe te sleuren al evenzeer. Want ik beken: ik ken Claus enkel van (een niet bijster groot aantal van) zijn boeken en van alle de laatste dagen nog eens overzichtelijk opgesomde clichés omtrent zijn persoon. Dat is voor Ella wel even anders; op haar onnavolgbaar charmante wijze vertelt ze hoe ze op zestienjarige leeftijd haar exemplaar van “Het Verdriet van België” door Claus himself heeft laten signeren. Bij die gelegenheid is een foto gemaakt, waarop zijzelf te zien is met een soort gelukzalige twinkeling in haar ogen. De Meester zelf kijkt intussen schalks naar haar kont. Ik aanhoor het enigszins grijnzend, en vraag me af of ik nu jaloers moet zijn.

II
Schoonderbuken, 1999. Ik ben twaalf en zit in de kappersstoel bij coiffeur Calixte. De brave man is een goede vriend van de familie; ik ben intussen de derde of de vierde generatie die bij hem om een “broske” komt. Hij heeft een cadeau voor me – dat overkomt me wel vaker nu, in de nasleep van mijn Plechtige Communie. Een stevig, vierkant pak. Even vrees ik dat hij een baksteen ingepakt heeft, maar het blijkt een boek te zijn. Een dik boek. “Het Verdriet van België.” Op de achterflap een foto van Claus in bontjas; hij doet me denken aan Roald Amundsen, de poolreiziger van lang geleden. Ik begin het onmiddellijk te lezen en begrijp er in eerste instantie geen snars van. Het boek laat me verdwaasd en met ijskouw pollen achter. Straf.

III
Antwerpen, ibidem We hebben geluk met het weer: deze zaterdag moet ongeveer de enige maartdag zonder regen of sneeuw zijn, een onmiskenbaar pluspunt wanneer je urenlang in openlucht staat aan te schuiven. Koud is het echter nog steeds, zodat Ella haar marmotvormige muts nog wat steviger over haar hoofd trekt en heel lief mijn handschoenen afbedelt. Aan de overkant van het plein komen twee lijkwagens voorrijden; één voor de kist en één voor de bloemen. Een agent van ’t Stad komt voorbij en blijft minutenlang bedenkelijk staan kijken, het lijkt alsof hij een parkeerboete wil uitschrijven. “Stel je voor,” zeg ik tegen Ella, “dat ze hem dadelijk komen wegtakelen. Dan staan we hier voor niks kou te lijden.” Ze rolt eens met haar ogen en besluit er niet op in te gaan.

IV
Diest, 2002 Vijftien ben ik intussen, en zodanig Sturm und Drang dat ik stevig aan de poëzie ben en me bij tijd en wijle vertwijfeld afvraag of er leven is na Jotie T’Hooft. Dat blijkt zo te zijn: op een dag stopt een leraar me de kolossale verzamelbundel “Gedichten 1948-1998” van Claus in handen, met de woorden “Ga heen en lees.” Wel, dat heb ik gedaan. ’s Avonds, in de kamer die ik met mijn broer deel, lispel ik de titels voor me uit. “De Oostakkerse Gedichten.” Of het onheilspellende “Tancredo Infrasonic.” Vier vijf keer. “Heer Everzwijn.” In het bed naast me wordt mijn broer wakker: “Ga je nu eindelijk je bek houden?” Dat doe ik dan maar; aan wat ik net gelezen heb, heb ik op dat moment echt niets toe te voegen.

V
Antwerpen, ibidem. Intussen wemelt het op het pleintje van de persmensen. Reporters en reportsters met de microfoon in de aanslag en een cameraploeg in hun kielzog lopen langs de rij wachtenden en keuren: “Wie ziet er interessant genoeg uit?” Ella krijgt een microfoon onder haar neus geduwd vanwege het persagentschap Belga en brandt los. Dat we (we…) wel moesten komen, Hugo is tenslotte onze aller-allergrootste, ja, ze is grote fan, al lang overigens, ze heeft de Meester ooit ontmoet, ze staat zelfs samen met hem op de foto. Dat van haar kont houdt ze wijselijk voor zichzelf.

VI
Bekkevoort, 2003 Zomer. Hoogzomer. Ik lig – hoe bucolisch- onder een boom en lees “De Metsiers.” Een intens verhaal, met een handige moraal: “het is allemaal de schuld van de mama.” Ik hoef op dat ogenblik niet eens moeite te doen om Claus over de hele lijn gelijk te geven. En toch: het iets minder aangename besef dat dit boek Claus’ debuut is, geschreven toen hij amper negentien was. Ik tel, nog drie jaar tijd, om, om te… Een mens wordt er niet vrolijker van.

VII
Antwerpen, ibidem Eindelijk gaan de deuren open en worden we door immer weer andere, in het zwart geklede, zaalwachten geteld, de weg gewezen en downright geïntimideerd. Ella en ik komen terecht in een krappe loge op het tweede balkon. Overal krakend houtwerk en rood pluche, het heeft iets sensueels. Alleen spijtig van de buren, die met hun gsm foto’s zitten te maken. Maar wie ben ik, denk ik, om er iets van te zeggen? Van Ella weet ik het niet, maar ikzelf voel me, terwijl we beneden ons naar hartenlust de ene coryfee na de andere kunnen spotten, nog het meest een toerist. Misschien maar goed dat ik met mijn gsm alvast geen foto’s kan maken. En niet vergeten dat ding uit te zetten. Intussen speelt op de achtergrond een vrolijk jazzdeuntje, het sijpelt onwerkelijk over de hoofden van de vijfhonderd genodigden, van de elf sprekers op het podium, over het met rode rozen bezette verhoogje waarop straks de kist zal rusten. Er gebeurt nog niets op het podium; toch zit Ella alvast aandoenlijk triest te kijken, ik vermoed bij wijze van opwarming.

VIII
Koksijde, 2004 Veertien dagen Belgische Kust met de familie, en in alle haastigheid maar één boek kunnen meenemen: “Vrijdag.” Een toneelstuk dan nog. Eén dat ik nota bene nog heb moeten lezen ook, het afgelopen schooljaar. But it says “Hugo Claus” on the cover. En Jezus Christus, wat kun je in vredesnaam voor nuttigs doen aan zee, dan wat lezen? Welaan dan. Bij het einde van de vakantie berisp ik iedereen die zulks verdient met een welgemeen “’t Is van uw schoonste niet, Georges.” Of bederf ik ieders goesting in een broodje Martino door aangaande de amércain préparé op te merken: “’t Schijnt dat ge hem moet opeten als ‘ie vers gedraaid is, want dat ‘ie anders direct vol wormkes zit.” Of, bij de vaat: “De onnozelaar is weer thuis. Gij gaat niet meer lachen. Het is gedaan met de rode handdoek.” Waarop mijn broer: “Gij zoudt beter wat rapper afdrogen, gij.”

XIV
Antwerpen, ibidem. Daar begint dan de plechtigheid, een diepe stilte valt en een man nadert het spreekgestoelte. Het is Claus’ uitgever, Robert Ammerlaan. Hij vraagt alle aanwezigen om op te staan voor Hugo Claus. Het eerbiedige equivalent van een Mexican wave trekt door de zaal. De eenvoudige houten kist wordt binnengedragen, op het verhoogje geplaatst. Iedereen gaat weer zitten en plots vergeet ik mijn balorigheid, het aanschuiven, de gsm’s. Een rilling van gemis, van verdriet zelfs en plots zit ik er waarschijnlijk net zo verslagen bij als Ella. We horen de gedichten die worden voorgedragen door Gilda De Bal, Josse De Pauw, Hilde Van Mieghem en Jan Decleir: “De sporen/van wat een gedicht was/meestal een vergelijking/en nu ligt er een lijk van woorden/die ooit ontdooien.” Of Erwin Mortier en zijn terzijde voor Kardinaal Danneels. We horen de muziek, die –zo blijkt- door de Meester zelf is uitgekozen en die – kan het ook anders?- zijn effect niet mist. Zijn zuchteffect. Zijn slikeffect, zijn snikeffect. Het filmpje van Claus die zijn Sonnet XV voordraagt, dat later in de journaals zo handig wordt afgekapt halfweg de tweede strofe: “Nu is de wereld sterfelijk als ik/en daarmee uit.” Waarna de kist wordt weggedragen en het definitief voorbij is.

Epiloog.

Of toch niet. Het publiek moet blijven zitten tot de zaalwachten komen zeggen dat je naar beneden mag, waarbij er gelegenheid tot groeten is. Zelfs de vijfhonderd genodigden op de parterre ontsnappen er niet aan.
In de krappe loge op het tweede balkon zitten Ella en ik. We zwijgen. Af en toe kijken we elkaar aan. En kijken weer weg. Tien, vijftien keer haal ik diep adem om wat te zeggen, kijk ik om. Recht in haar blinkende ogen. Haar dapper op elkaar geklemde kaken. Wat valt er ook te zeggen? Wat valt er nog aan toe te voegen?

Dan komt eindelijk de zaalwacht. “Kom,” zegt Ella. “Kom.” We staan op. In de inkomhal groeten we de kist: even het blanke hout aanraken en het hoofd buigen. Even maar. Ella legt een hand op mijn schouder. We gaan. Buiten schijnt de zon.

zaterdag 14 maart 2009

Party

Een laatste glas
Alles wordt rood
Want ik ben ziek achter mijn ogen
De wijsheid voert iets
In haar schild
Ik heb mezelf opnieuw bedrogen

De nacht valt dood
Op mijn gezicht en
Koud op mijn vermoeide handen
Ik wil wel slaan
Maar kan het niet
Ik kan alleen nog klappertanden

De auto komt
Dus ik rij mee
Ik voel de beelden in mij vreten
De winnaar kwam en ik verloor
Van haar
Maar dat kon zij niet weten

maandag 9 maart 2009

Gezien in Londen


"Please

do not feed

the birds

It is an offence for

which you could be

fined up to £500"

(Byelaws prohibiting the feeding of birds, 2006)

woensdag 4 maart 2009

A joke about Joke

Het jaar was 2003.

*
Het is ijskoud buiten en R. geeft mij vuur. Het is tien uur ’s avonds,ergens in Vlaanderen. Hoelang zitten we hier al? Ik tel snel de Belga’s die intussen in rook zijn opgegaan,maar blijf steken in een mist van getallen en tijdstippen. Ik ril van de kou. OK. We zitten hier gewoon al heel lang. Hoe langer hoe meer is onze conversatie verwaterd tot gelul, oeverloos gelul. Verschillende onderwerpen zijn de revue gepasseerd : literatuur (“Alles voor de kunst,R. Heb je een vuurtje voor me?”) , poëzie (“Er is geen leven na Jotie ’T Hooft,R.”) ,vrouwen en literatuur ( Vrouwen lezen naar 't schijnt meer dan mannen, en R. zegt : “Mijn vriendin leest geen boeken.”), ons zinloze vertrek uit D. en onze aankomst hier, in the middle of nowhere. (R : “We hebben geen file gehad.” En ik vertaal,om ook eens iets te zeggen, : “Nous n’ avons pas eu de fille.”) en natuurlijk onze ontmoeting met het meisje Joke. (R : “Joke heeft een mooie stem…En neen, mijn vriendin leest geen boeken. En dat vind ik niet erg!”) Jaja Joke.Ik plaag R. ermee dat hij steeds op die ontmoeting terugkomt. “Jaja, Joke,” monkel ik, tussen twee trekken aan mijn sigaret door.
R.’s GSM rinkelt.Zijn vriendin is aan de lijn. Ze praten in een mij vreemde taal : de taal van samen. Ik sla R. gade terwijl hij steeds verder weg loopt met de GSM tegen zijn oor gedrukt. Vanwaar ik sta, laf verborgen in het donker onder de olmen, zie ik de huizen, waar één voor één de lichten doven. (R: “Ik zou hier nooit willen wonen.” En ik : “Ik ook niet. Nooit.”) Maar we zijn hier wel. Ik tenminste, en van zodra hij zijn GSM heeft weggestoken, is ook R. er weer. Hij kan in het duister onmogelijk zien dat ik hem aankijk,en toch zegt hij quasi – verontschuldigend : “Dat was mijn vriendin…” Ik knik, duw mijn sigaret uit.Het kan me niet schelen.Of toch niet veel.
Donker. Koude. Stilte…en dan zegt R.: “Ze was een boek aan het lezen.” Vervolgens steekt hij een sigaret op, biedt er mij één aan. (Ik weiger.) Hij gaat verder : “Een boek…Volgens mij had ze gedronken…” Wrang lachje. “Drinkt je vriendin dan?”vraag ik.
“Nee!” En dan : “Waarover waren we bezig?”
“Over Joke,” zeg ik onnozel. R. lijkt te huiveren, te krimpen haast.
“Dat Joke zo’n mooie stem heeft.” (R. weet het,hij weet dat ik hem met opzet citeer.) “En zulke mooie ogen.”
Geen reactie. Dat van die ogen is mijn idee. R. staart zwijgend voor zich uit. Trekt aan zijn sigaret. Ik zie hem denken : “Hier wil ik niet wonen.Hier wil ik niet zijn.”
“Jaja Joke. Joke heeft inderdaad een mooie stem,”stamelt hij.
“Tùùrlijk,”zeg ik, en begin – heel vals en hortend – “Love is in the air” te fluiten. “Jong,hou ermee op!” roept R. kwaad, nijdig blaast hij een rookwolk uit. Dan zwijgt hij weer. “Sorry,hé,”zeg ik stilletjes, “ ‘k Zei dat toch maar om te lachen zeker?”
“Jaja,”monkelt R. We zwijgen een tijdje,en dan zeg ik : “It’s just a joke…”
“Inderdaad,”antwoordt R. “It’s just a Joke.”

*

We hebben haar achteraf nooit meer teruggezien.

zaterdag 28 februari 2009

Het Bal

Vrijdagavond. Regenweer en niets te beleven. Op kot gebleven. Hoewel ik goed genoeg weet wat er vanavond te doen is. Waar het te doen is. Hoeveel een toegangskaart kost en wie er allemaal naartoe gaat. En dat je maandag aan al die mensen gaat moeten uitleggen waarom je er niet was.

*

Eigenlijk is het aan jou om naar haar toe te gaan en te zeggen: “het zou me verblijden indien u etc…”, maar dan wat vlotter, in je eigen woorden, weet ik veel, je legt het zo aan boord dat er op de bewuste avond alleszins iemand is met wie je samen gesignaleerd wordt op de dansvloer, aan de bar, desgewenst smiespelend en slijmerend in een hoekje. Liefst iemand van het andere geslacht. Dat staat ook leuk op de foto, achteraf.

*

Ach, wat te doen? Een sigaret roken ( en nog een) (en nog een) om iets anders te doen te hebben dan op je horloge kijken? Zwarte gedachten kweken en naar het plafond staren tot je jezelf tot poète maudit uitroept? Vervolgens die titel drie keer luidop uitspreken en besluiten dat het echt te belachelijk klinkt voor woorden? Probeer je vooral niet af te vragen…

*

Wat niet wil zeggen dat er écht niemand was met wie ik zou willen gaan. Je zult haar vast niet kennen. (Tenzij plots blijkt dat jij haar geheime vriendje bent.) (Of vriendinnetje; ik ken haar eigenlijk niet zo goed.) Geen adres. Geen nummer. Ontmoetingen te kort voor woorden. Een naam en een onvergetelijk gezicht. Maar ik heb het haar niet gevraagd.

*

…hoe het er intussen aan toe gaat op het bal. Alhoewel. Op zich is het zodanig simpel en voorspelbaar dat het niet eens pijnlijk is om het voor de geest te halen. Daarstraks zijn ze allemaal gezellig aangekomen in hun geleende pakken en fleurige nieuwe jurkjes, ze hebben wat rondgedrenteld in de zaal en vervolgens een drankje besteld. Duur drankje. Lekker drankje. Waar je nog meer dorst van krijgt waarschijnlijk. Enzovoort. Het dansen neemt een aanvang. Waarbij blijkt dat een groot aantal van je kennissen eigenlijk frotteurs van het ergste soort zijn. Waarbij blijkt dat het hele bal niets anders is dan een geil puberfeestje, maar dan eentje met een fors kostenplaatje en een dresscode. Waarbij blijkt dat jij er niet bij bent en dienaangaande geweldig je zogeheten kas zit op te vreten.


*

Die nieuwe gloeilamp aan het plafond van m’n kot is geen onverdeeld succes: “zacht licht” betekent in concreto dat het lijkt of ik in een aquarium vol pis zit. Tachtig watt pure pis – experience. Let’s make things better.


*

Wat je dan vooral niet moet gaan doen, is je inbeelden dat zij nu, op dit eigenste moment, op het bal is. Middenin het feestgezwoel. Lichtjes aangeschoten en rood aangelopen van de pret. Uit alle boxen een dreun die monddood maakt en je hartslag overstemt. Een onweerstaanbare, vlotte, knappe kerel in smetteloos pak komt, quasi – achteloos, voorbij. Blijft staan. Danst met haar. En dan weer niet. En dan weer wel. En of ze een drankje wil. En hoe ze heet. Na enige noodzakelijke minuten van dit gepraat: de kus. Het gelebber, het gefikfak. Een in ontelbare megapixels op je netvlies gebrand beeld van tetteke-ruis. De bankschroef om je borstkas klemt nu nog net dat ietsje harder. En je kunt er niets aan doen.

*

Ik huil een beetje en ik roep haar naam. (De buren zijn niet thuis, dus die hebben er geen last van.)

*

Wanneer je haar zag, was je telkens zeer blij. Na het college, in de herfstzon. ’s Morgens, op weg naar de krantenwinkel. Of in een café. Waar ze weleens vaker komt. Alle kleuren van irisblauw wanneer ze vuur vroeg voor een sigaret. De dag werd er steeds net dat ietsje minder vreselijk door. Iets minder maudit. Maar nu. Het pisgele licht en regen op de ramen. De zelfgemaakte blauwe nevel rond je kop. En nog één vraag waar je geen bal aan hebt:


Zou ze ja geantwoord hebben als je haar had meegevraagd?