zaterdag 12 mei 2012

Peeters’ Europese Wandeling

In april 2008 gingen Martijn Sermeus en ikzelf voor het eerst langs bij schrijver Koen Peeters. Toen naar aanleiding van zijn "Grote Europese Roman." Dit interview verscheen in het kringblad B-Magazine.


 
Een van de opmerkelijkste boeken van het afgelopen jaar is de “Grote Europese Roman” van Koen Peeters.  In deze roman gaat het hoofdpersonage, Robin, in opdracht van zijn baas, Theo Marchand, op zoek naar de ziel, de essentie van Europa zoals het nu voor ons ligt.  Op zijn tocht langs 36 Europese hoofdsteden verzamelt hij conversaties, woorden en impressies die hij samenbrengt in een zwart notitieschriftje.  Op het einde van het boek betitelt Robin zijn Europese gedachten en gevoelens als “Grote Europese Roman”.  Europa zit in ons allemaal, maar het laat zich niet zomaar neerpinnen.

B-magazine op wandeling door het verrassende universum van Koen Peeters.



1. Vrolijk België/ Joyeuse Belgique              



Te pas en te onpas wordt Koen Peeters geïnterviewd over de Expo 58 en alles wat er mee samenhangt.  Het “Belgische” aspect van veel van zijn werk zit daar zeker voor iets tussen.  Hoewel dus weinig origineel, wilde B-magazine toch weten hoe Peeters nu precies terugkijkt op deze legendarische gebeurtenis.



Een van de drukst bezochte attracties van Expo 58 was ongetwijfeld "Vrolijk België". Een in hout en karton opgetrokken namaakdorp met veel friet, bier en cafés moest de vrolijke kant van het land exposeren.



 In mijn eerste boek, “Conversaties met K,” beschrijf ik hoe ik samen met Koning Boudewijn de Expo bezoek. Ik ben geboren in 1959, en in het boek vertel ik hoe ik in de buik van mijn moeder zit wanneer zij de Expo bezoekt. Wanneer er sindsdien iets met het Atomium gebeurt, komt men mij interviewen; ik geld als een “expert” op dat vlak, terecht natuurlijk, omdat ik intussen tot vervelens toe heb gezegd dat ik, in de buik van mijn moeder, heel de sfeer van de Expo in mij heb opgenomen: het vooruitgangsdenken, het optimisme, eindelijk konden de mensen de ellende van de Tweede Wereldoorlog vergeten, ze waren blij met een strijkijzer, een tv-toestel. Als je nu op die periode terugkijkt, merk je wel dat de wereld veranderd is. We zijn een stuk cynischer geworden. Er was toen wel een Koude Oorlog gaande, maar die was heel netjes geregeld, niemand had er last van, er kwam geen bloed aan te pas. Maar vandaag…je krijgt elke dag beelden te zien uit Irak, zoveel doden per dag en dan nog is het daar zogezegd geen oorlog. We zijn blijkbaar toch iets kwijtgeraakt. Ik vind het weleens fijn om die hele sfeer van ’58 terug boven te halen en met een paternalistisch geheven vingertje te zeggen: “Toen waren we slimmer dan vandaag.”






2. Boudewijnstadion



Elke schrijver beleeft zijn eigen oerknal, een boek waarvan hij/zij tegelijkertijd denkt “wauw, hoe is het mogelijk?” en “Zoiets moet ik ook kunnen”.  Voor Peeters is “Brief aan Boudewijn” van W. van den Broeck zo een boek.



Centraal gelegen op de Heizel is deze arena van de Belgische geschiedenis de plaats waar de groten elkaar ontmoeten...



“Ik las “Brief aan Boudewijn” op m’n eenentwintigste, en plots was daar een boek dat ging over de wereld waarin ik leefde. Ik was verbaasd dat dat kon, zo schrijven. Kan dat zo dicht op je vel zitten? Zo biografisch? Ik heb ook altijd eerlijk toegegeven dat mijn eerste boek, “Conversaties met K.”, een beetje schatplichtig is aan “Brief aan Boudewijn” : de K. in mijn boek is dan ook niemand minder dan koning Boudewijn, die met het hoofdpersonage op pad gaat.



Dit interview vond plaats enkele dagen na de begrafenis van Hugo Claus, een feit waar je natuurlijk niet omheen kan. Hoe denkt Peeters over Vlaanderens monumentaalste schrijver?



“Ik ben fan van zijn gedichten. “Het Verdriet van België” heb ik natuurlijk ook gelezen, lang geleden, en de week voor Claus stierf, heb ik me het boek opnieuw aangeschaft. Het ene heeft met het andere natuurlijk niets te maken. Zijn gedichten heb ik ook, gesigneerd en wel, en die zijn mij zeer dierbaar. Weet je, ik schilder wel eens wat, en wanneer je dan een tentoonstelling bezoekt kan je plots de ontzettende goesting overvallen om terug te gaan schilderen. Bij de gedichten van Claus heb ik hetzelfde: dat knaagt zo, omdat het zó goed geschreven is, dat je zo opgefokt wordt om zelf ook terug te gaan dichten. Mijn broer heeft, tussen haakjes, een hele Clausverzameling. Ook was het ontroerend om zien dat zoveel mensen Claus graag zagen. Geef toe, de hoogst sympathieke en arrogante dandy met de geaffecteerde Clausspeak. Je houdt van hem, of je houdt niet van hem, en wie niet van hem houdt, kan het niet verbergen. Heerlijk. Heel de commotie na zijn dood, met die kardinaal en zo, levert een zeer Clausiaans circus op, maar gelukkig blijft de poëzie.





3. Acacialaan



In Peeters’ roman “Acacialaan” gaat het hoofdpersonage, Robert Marchand, op zoek naar (plaatsen uit) het verleden van Louis Paul Boon...



Typisch Vlaamse straatnaam die reminiscenties oproept aan de Kapelekensbaan...



 “Hoe groot of klein Vlaanderen ook is, Boon is de grootste Vlaamse auteur. Ik verzamel Boon; ik heb drie meter Boon intussen. Boon is gewoon de beste, en “De Kapellekensbaan” is zijn strafste boek, met een wonderlijke vermenging van verschillende verhaallijnen. Ik heb Boon herontdekt na het overlijden van mijn vader. In het boek “Acacialaan” beschrijf ik hoe ik in Aalst op zoek ga naar Boon. Ik vind dat interessant, “op locatie gaan” en dan zoals een hond rondsnuffelen van :”waar is hier Boon?” Op de Kapellekensbaan ben ik niet geweest, evenmin in huize “Isengrinus”, maar wel in de straten waar hij als twintiger en dertiger gewoond heeft met Jeanneke. Die leefde nog op het moment van mijn bezoek, maar ik zocht haar niet op. En had Boon nog geleefd, ik zou ook geen contact met hem gezocht hebben, maar dat staat los van dat geweldige boek, dat toch zijn meest superbe is. Vanaf een bepaalde leeftijd, - welke?-  zijn schrijvers blijkbaar veroordeeld om schrijver te blijven, en dat heeft toch iets triests. Dat soort veelschrijverij ambieer ik zeker niet.

            Voor Boon was schrijven de seismografie van de tijd waarin je leeft, als een vorm van “registreren”, wat ik een interessante theorie vind. Maar wat natuurlijk maar iets gedeeltelijks zegt over het artistieke proces.





4. Musée Royal de l’Afrique Centrale



Koen Peeters staat bekend als een verwoed collectioneur. In vele van zijn boeken en verhalen spelen verzamelingen een centrale rol.  Wij wilden weten hoe groot zijn verzamelwoede precies is.



Onstaan onder de vleugels van Leopold II, herbergt het Afrikamuseum in Tervuren een weergaloze collectie memorabilia uit het koloniaal verleden van België…



“Vroeger was ik een fanatieker verzamelaar dan nu. Bij mij had het iets heel possessiefs, terwijl ik nu vooral denk: het moeten kleine, subtiele verzamelinkjes zijn, dingen die niemand anders heeft. Bijvoorbeeld die verzameling van woorden (die ook in de “Grote Europese Roman” een rol spelen) zoals Vespa, Cancer, Robin, Kafka, die iedereen kent, maar die in een andere taal een dier betekenen. Zo heb ik ook een verzameling foto’s van berichten van mensen die op zoek zijn naar een parkiet of een papegaai. Ik heb zo twee foto’s, en dat volstaat om van een verzameling te kunnen spreken. Dat soort dingen vind ik veel interessanter dan bijvoorbeeld postzegels. Pas op, ik heb een postzegelverzameling, maar dan alleen van zegels met een okapi erop. Zo heb ik er vier of vijf, et ça suffit. Ik ben veel minder, zoals vroeger, de slaaf van mijn verzameling. Het moet vooral schoon zijn, en vaakook ontstaat het samen met het boek dat ik schrijf. Bij elk van mijn boeken, zo blijkt, hoort een object. Bij de “Grote Europese Roman” is dat een map vol documenten, die ik voor geïnteresseerde toeristen zoals jullie heel opschepperig boven haal. (Toont de map, waarop in grote letters: “GROTE EUROPESE ROMAN” en een tekening van een roodborstje. De map bevat onder andere briefpapier uit Europese hotels, oude landkaarten van Europa, een inventaris van een postzegelverzameling, gemaakt door een Joods jongetje uit Antwerpen en teruggevonden op een rommelmarkt. Allemaal elementen die in de Grote Europese Roman terugkomen.) Maar niet elk boek heeft zo’n map. Voor mijn boek “Meneer Sjamaan” had ik een album aangelegd met daarin allemaal rozenblaadjes, die van verschillende interessante plaatsen afkomstig waren. Dat album is nu te bezichtigen in het AMVC Letterenhuis. Ze hebben daar van verschillende schrijvers een “object”, zoals afgietsels van het hoofd van Claus, weet ik veel, van mij liggen er rozenblaadjes; er zijn subtiele mensen.(grinnikt)

Bij mijn eerste boek, “Conversaties met K”, heb ik een houten okapi getimmerd, hij staat nu in de garage.  Bij mooi weer zet ik hem nog wel eens in de tuin ...




5. Robert Marchandplein



De naam “Marchand” keert regelmatig terug in Peeters’ oeuvre, of hoe naamplaatjes romanfiguren kunnen worden en omgekeerd: de onvermijdelijke vragen over hoe de “Grote Europese Roman” ontstaan is.



Mythisch, nu verdwenen plein in de achtertuin van de schrijver, nu herdoopt tot Koning Astridlaan, rechtsaf aan de Okapi, in de buurt van de Koning Boudewijnstraat...



Ik heb echt gegoogeld om te zien of dat al bestond, het genre van de Grote Europese Roman. Alleen bij Cervantes vond je wel eens een omschrijving in die richting, maar verder bestond het eigenlijk niet. (Ironisch) Ik heb dat dus op geniale wijze uitgevonden, de mensen zullen mij daar ooit dankbaar voor zijn.

(Serieus.) Of het echt een nieuw genre is? Ik denk dat dat de essentie van de roman is, dat die mensen aantrekt die zo pretentieus en eigengereid zijn dat ze telkens opnieuw durven denken: “Ik ga iets nieuws maken,” en daarmee telkens het genre opnieuw definiëren. Zoals de Leuvense spoorwegen psychiatrische patiënten aantrekken die onder de trein springen, zo trekt de roman mensen aan die denken dat de wereld echt op hen zit te wachten. Wereldveroveraars. De roman is alleen maar een traditie van mensen die telkens opnieuw, met verve, het warm water uitvinden. En al die schrijvers weten beter, en toch proberen ze het telkens opnieuw: omdat het ook de essentie van het kunstwerk is, je maakt iets, en zodra het af is denk je: “Waow!” En de dag erna staat de kunstenaar weer te knoeien in zijn atelier.

            Ik ga vaak over mijn werk: ik schrijf een tekst twaalf keer vooraleer die af is. (Toont een typoscript: tussen en naast de getypte tekst staan talloze handgeschreven annotaties.) Ik schrijf het eerst met de hand, dan typ ik het uit, en dan ga ik er zo twaalf keer over. Ik beschrijf een scène één keer, dan zie en beschrijf ik ze opnieuw, en uiteindelijk hou ik alleen de “goede” zinnen over. Dan schrap ik vrolijk en zet alles terug in elkaar. Over elk woord in mijn boeken is, moet ik bekennen, heel diep nagedacht.

            Autobiografisch schrijven krijg ik niet over mijn hart: ik heb drie grote kinderen intussen, en ik werk ook gewoon in een bank, zoals iedereen. En het evenwicht daartussen wil ik graag bewaren. Dus wellicht wik ik mijn woorden wat meer dan anderen. En het autobiografische ligt me stilistisch minder.



Een grote Europese roman schreeuwt om een onderliggende Europese gedachte.  Is die er wel? En zo ja, hoe ziet Peeters die precies?



“In het boek staat: ‘Europa is daar waar mensen dromen over Europa.’ In die zin is het ook maar logisch dat de Turkse hoofdstad Ankara een hoofdstuk gekregen heeft in het boek. De Europese gedachte die ik in het boek heb willen leggen is: Europeaan zijn is een soort morele opdracht. Je mag aan iedereen best vragen om op een of andere manier “Europa” te verzamelen, en dat begrip staat los van enig politiek of natiegevoel. Een “goede” Europeaan zou systematisch in alle Europese landen iemand moeten kennen, een gesprek voeren, eigenlijk zoals bij “Monopoly” de hele “ronde van Europa” afleggen, zoals Robin doet in het boek. Iedereen kan dat voor zichzelf doen, je kunt voor jezelf aankruisen: “Dat land heb ik al.” Het heeft alles te maken met een stad, een cultuur, een mens. Als je de mensen niet kent, kun je ook over hun land geen uitspraak doen, vind ik. En als je ’s koffie hebt gedronken met een Pool of een Cyprioot, ken je de essentie van die landen. Zo eenvoudig is dat. Los daarvan zit er echt geen boodschap in het boek. Het is nota bene een roman; mij gaat het om het verhaal, om de stijl, het overstijgen van plaats en tijd. De analyses en zo, dat is jullie werk.



Opvallend in het boek is de steeds prominentere rol van de Holocaust.  Het is tegelijk een van de raadselachtige aspecten van de roman.  Hat Peeters das gewubt?



“Dat heeft te maken met mijn fundamentele angst voor nationalisme. Als er een groep in de wereld is, die weet wat het effect is van nationalisme, dan zijn het toch wel de Joden. In de naam van het nationalisme werden ze telkens weer verjaagd, uit Polen, uit Litouwen, uit Oekraïne… Hannah Arendt beweert dat, naarmate het nationalisme toeneemt, ook het antisemitisme stijgt. Ik weet niet of dat echt zo is, maar nationalisme is wel een discours van “zuiverheid”, en als je dan rondloopt met van die vreemde krullen en een lange zwarte jas, tja… Dat Holocaustthema is dus zeker verbonden met anti-nationalisme, maar ik ben zelf natuurlijk geen Jood. Dat antinationalisme voedt mij als kunstenaar, als burger, als vader en als mens. Waarom denk je dat Theo niet graag heeft dat Robin op zijn hand schrijft? Vanwege de link met de nummers die de Joden getatoeëerd kregen in de concentratiekampen, natuurlijk.





6. Grand Bazaar du Bon Marché



Postmodernisme, een onderwerp waar Peeters verbazend snel van af wil zijn. Grootsprakerige ideeën over identiteit en natie zijn aan hem niet besteed.



De voorloper van de “GB”, het huidige “Carrefour”.  De geïnteresseerde koper vindt er altijd wel wat...



Zeker bij het begin van mijn schrijverscarrière kreeg ik geregeld dat etiket van “postmodernist” opgeplakt. Zeker wanneer je ook zegt dat je het genre een beetje wil herdefiniëren, dat je daarover hebt nagedacht, krijg je die naam. Maar we leven allemáál in een postmoderne tijd, hé. Anderzijds ben ik gefascineerd door sympathieke verhalen zoals België en Europa, waar niemand in gelooft – want al op alle mogelijke manieren gedeconstrueerd -, maar aan de andere kant heb ik liever de vrolijke fictie van “België” dan dat verzurende neo-Vlaams discours dat je tegenwoordig langs alle kanten voor de voeten geworpen krijgt.  Dat is allesbehalve postmodern, wat ik nu zeg. Zelfs als jij zegt dat die hele  huidige België-hype niet zo onschuldig is als ze op het eerste zicht lijkt: heel interessante opmerking, maar ik ben het daar niet mee eens. Noem mij eens een schrijver of een andere kunstenaar die meestapt in dat Vlaamse discours. Kunstenaars hebben daar geen boodschap aan, wij houden veel meer van die vrolijke pose die België is. De verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië bestaan nu eenmaal, maar da’s een economisch verhaal, en dan vind ik dat je het ook in economische termen moet vertellen. Heel de huidige commotie rond de Vlaamse identiteit, die opgebouwd wordt ten koste van de Walen… ik geloof daar niet in. Er is veel meer dat ons bindt en daarbij: als mens – ik word steeds minder postmodern en steeds prekeriger- kun je uit zo’n discours van “wie ben ik?” eigenlijk niets leren. Essentiële navelstaarderij, dat is het. De essentie van cultuur is ook “acculturatie”: het overnemen van bepaalde dingen, iets accepteren van de anderen, het reizen om te leren. Klinkt allemaal ouderwets en heerlijk. De Vlaming zou dat beter dan wie ook moeten weten, maar ja, we zijn nu eenmaal zelfgenoegzaam en rijk, en zij niet. Het identiteitsdebat in Vlaanderen is gelukkig minder paniekerig dan in Nederland, en dat is dan weer typisch Belgisch: de wereld mag vergaan, maar in België gaat alles zijn gewone gangetje. Fantastisch toch? Het vaderland België is trouwens zo’n belachelijk, artificieel en grappig vaderland dat niemand ervoor wil sterven. Houden zo, zou ik zeggen”





7. Turnhout-Brussel-Turnhout



B-magazine, immer op zoek naar primeurs, wilde tot slot even weten waarover Peeters’ volgende boek zal gaan.



Van de Kempen, de geboortestreek van de schrijver, naar het hart van Europa...en weer terug...



“Het wordt een Grote Kempische Roman, gebaseerd op documenten uit mijn familie. Bijvoorbeeld brieven die mijn grootouders tijdens de tweede wereldoorlog schreven aan hun zoons, die op internaat zaten, en waarin je het verloop van de oorlog kunt volgen. Mijn vader was vroeger volksvertegenwoordiger voor de CVP. Op een meeting werd hij ooit zwaar aangepakt door leden van de extreem-rechtse Vlaamse Militanten Orde, en onlangs heeft mijn oom een hele stapel fotokopieën uit dat dossier gevonden. Met dat materiaal wil ik aan de slag; het zijn documenten uit de tijd dat mijn ouders en grootouders jonger waren dan ikzelf nu. Die familiehistories die terug bovenkomen, dat herbeleven van je eigen biografie, vind ik wel interessant. Het wordt sowieso een persoonlijker werk dan de “Grote Europese Roman.”



Koen Peeters

Grote Europese Roman

Meulenhoff – Manteau 2007



                                                                                 








Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen