dinsdag 15 november 2011

Het hoddelijke monster

Deze bijdrage verscheen in het oktobernummer van het tijdschrift Over Taal


Na de eerste aflevering van ‘Het Goddelijke Monster,’ de TV-serie gebaseerd op Tom Lanoye’s Monstertrilogie, ontstond er deining over het West-Vlaamse dialect waarin de personages hun dialogen te berde brachten. Rechtgeaarde West-Vlamingen voelden zich ronduit beledigd door het namaakdialect uit de serie – het ene West-Vlaams is het andere niet. Michiel Leen begrijpt die heisa wel, maar verliezen we zo niet de echte inzet van Lanoye’s trilogie uit het oog?




Een onvervalst taalrelletje, dat mochten we meemaken in de dagen na de première van ‘Het Goddelijk Monster.’ Ingeval u de eerste uitzending gemist zou hebben, schetsen we graag even het kader. Katrien Deschryver, telg uit een rijke familie van textielbaronnen en politici, schiet per ongeluk haar man, de boekhouder Dirk Vereecken, neer. Aangezien Vereecken de familie Deschryver hielp bij het opzetten van schimmige financiële constructies rond haar tapijtenconcern (“den top van den tapis-plain is West-Europa!”), is de ontdekking van diens privé-archief een grote klap voor de familie. Tapijtboer Leo Deschryver waarschuwt zijn doodzieke broer, de bankier en ex-minister Herman Deschryver dat die naar Luxemburg moet vertrekken om het (zwarte) familiekapitaal veilig te stellen. In de tussentijd wordt Katrien gerepatrieerd en onder handen genomen door de paranoïde onderzoeksrechter De Decker. Het feit dat de beeldschone Katrien rampen lijkt aan te trekken – de accidentele dood van haar man is al het derde overlijden in de familie waar zij de hand in heeft - helpt de zaken niet vooruit.

Enfin, pret en amusatie voor het hele gezin. En het moet gezegd worden: regisseur Hans Herbots heeft kosten nog moeite gespaard om de vermoeide en tegelijk paranoïde sfeer van die jaren zo authentiek mogelijk weer te geven. Die hang naar authenticiteit heeft nu net geleid tot een prachtig stormpje, vooral dan bij onze West-Vlaamse medemens.

Wat wil nu het geval? Herbots heeft ervoor geopteerd de bank – en textieldynastie Deschryver te portretteren als een West-Vlaamse familie. Dat is begrijpelijk: het Belgisch textiel, voor zover het door opeenvolgende crises nog niet uit het weefsel van de vaderlandse economie verdwenen is, houdt nog stand in enkele delen van West-Vlaanderen. (Zelf heb ik ooit een vertegenwoordiger van deze nijverheidstak in volle ernst horen beweren dat de E17-snelweg de ‘bedding’ van het Vlaams textiel was.) Om maar te zeggen: moest Herbots ervoor geopteerd hebben het tapijtenimperium van de Deschryvers in –ik zeg maar wat - de Kempen te situeren, geen mens zou het geloven.

Een authentieke familie industriëlen spreekt liefst ook een authentiek dialect. En daar haalde cast en crew zich meteen een probleem op de hals. In plaats van het algemeen beschaafd Antwaarps dat in het vaderlandse drama de hoofdtoon voert én in plaats van het tussentaaltje dat courant is in de meeste andere hedendaagse VRT-shows, werd de acteurs opgedragen om zich het West-Vlaamse taaleigen eigen te maken – met uitzondering voor pater familias Herman Deschryver, die zich, als een soort evolué, bedient van een opvallend keurig Nederlands . En dus zag je knuffelhunk Kevin Janssens zich door de dialogen van zijn personage heen werken alsof hij een hete aardappel in de mond hield en kapseisde Michel ‘Nonkel Leo’ Van Dousselaere net niet onder de moeite die het hem kostte zich van zijn dialoog te kwijten in een haastig aangeleerde tweede taal. Maar ook Joke Devynck, nochtans met het West-Vlaams vertrouwd, mocht zich gaan bijscholen. Immers, de variant van het West-Vlaams die haar met de paplepel was ingegoten, benaderde blijkbaar nog niet voldoende het patois van de textielstreek. Er kwamen godbetert dialectcoaches aan te pas om een en ander recht te trekken, want gewoon elke g en h in de tekst omwisselen zou vast niet volstaan. De tijd dat de nationale TV-omroep militant promotie voerde voor het Algemeen Beschaafd Nederlands ligt, voor wie het nog niet doorhad, al weer een hele poos achter ons.

Maakte al die inspanning indruk op de West-Vlamingen in het publiek? Niet bepaald. Integendeel, er ontstond een wel heel specifieke vorm van het aloude West-Vlaamse taalparticularisme. Terwijl de rest van TV-kijkend Vlaanderen met behulp van ondertitels probeerde te ontcijferen wat de echtelieden Deschryver elkaar aan verwijten naar het hoofd slingerden, ontspon zich bij de native speakers een discussie over de authenticiteit van het in de serie gebezigde West-Vlaams. Het verdict was behoorlijk negatief.

”Als dat west-vlaams is, spreek ik swahili,” reageerde een verbolgen kijker via twitter. “Ons dialect wordt verkracht!” heette het elders. De krant De Standaard haalde er zelfs een professor bij, die het programma wat dialect betrof een onvoldoende gaf. “Het laagje dialect dat door de taalcoach is aangebracht, is te dun,” klonk het onomwonden. Als klap op de vuurpijl mocht de gouverneur van West-Vlaanderen zich verontwaardigen over het beeld dat de serie van zijn provincie ophing. De taal van ‘Het Goddelijke Monster’ was niet gans het volk, dat mocht duidelijk zijn. Kortom, de makers hadden zich de moeite wel kunnen besparen. Had ‘m heel wat gescheeld aan ondertitels, bovendien.

De reactie van de West-Vlaamse ingezeten is ergens wel te begrijpen. Als dialectspreker heb je meteen door wanneer iemand je gouwtaal echt beheerst, of slechts doet alsof. Daarmee staan de sprekers van het West-Vlaams hoegenaamd niet alleen. Zoals een rasechte Antwerpenaar ook meteen doorheeft of hij met een echte sinjoor te maken heeft, of met een imitator. En hoewel de dialecten zware klappen krijgen, is het voor veel mensen de eerste taal waarin ze zich uitdrukken. De persoonlijkste taal ook, de taal van ‘thuis,’ een privé-idioom dat slechts begrepen door en gedeeld met een handvol ingezetenen. Eenmaal buiten die kring wordt het vaak onwennig. Mocht ik u deze column in het oor blazen met de tongval van het hoekje Brabant waaruit ikzelf afkomstig ben, u zou ook om ondertitels vragen.

De emotionele reacties zijn dus perfect te begrijpen; niemand ziet zijn eigen streektaal graag verhakkeld worden, ook al gebeurt dat door acteurs die zich zichtbaar moeite getroosten om het er zo goed mogelijk van af te brengen in een dialect dat ze zich op fonetische wijze hebben moeten eigen maken. Maar door al de heisa zou je één cruciaal aspect gaan vergeten: De Monstertrilogie van Lanoye gaat helemaal niet over West-Vlaanderen of Kortrijk, het is geen afrekening met de Vlaamse textielindustrie of een tapijtbombardement van clichés over West-Vlaanderen. Lanoye wilde het hebben over België, het hele land dat in jaren ’90 geconfronteerd werd met een reeks schandalen die elke apart een boek, film of TV-serie waard zouden zijn. De Monstertrilogie is in de eerste plaats het verhaal van een land dat zijn onschuld wil terugvinden na de schokken die de Bende van Nijvel, Agusta, de milieuboxenaffaire, het obussendossier én de zaak-Dutroux door de natie hadden gejaagd. En dan hebben we het nog niet gehad over het Beaulieu-schandaal, dat draaide rond –tja – een invloedrijke familie van West-Vlaamse textielbaronnen.


De programmamakers hadden er beter aan gedaan om hun serie te spelen in het verkavelde Vlaams dat – tot spijt van wie het benijdt – het idioom van het kleine scherm in Vlaanderen is, de lingua franca van de Vlaamse TV-kijker. De taal ook waarvoor Lanoye zelf meermaals een lans gebroken heeft, het algemeen beschaafd patois voor het goddelijke monstertje in elk van ons. Aan het land dat Lanoye voor de geest tovert en Herbots in beeld vat, valt sowieso geen touw vast te knopen. Is het toeval dat Katrien Deschryver doorheen de hele trilogie zwijgt in alle talen – ook in het West-Vlaams?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen