dinsdag 17 november 2009

The Inevitable Return of Johnny Bros

Johnny Bros is het hoofdpersonage van mijn huidige prozafrutsels. Het fragment hieronder is een deeltje van een veel groter avontuur dat later, als ik groot ben, een afgerond geheel moet vormen. Doch hier alvast een voorsmaakje.

Zaterdag was een mooie dag om niet te roken. Dat wist Johnny Bros nu wel zeker. Op andere dagen wilde het hem niet zo best lukken, “gestopt zijn”. Op zaterdag leek het vooralsnog wonderwel te lukken.
Het had ermee te maken dat Johnny Bros in bed was blijven liggen tot de middag. Dat halveerde de tijd die aan gestopt zijn met roken diende te worden besteed, tot een twaalftal uren tussen opstaan en inslapen. Soms zijn de simpelste ideeën gewoon de beste.

Het feit dat hij zijn meest hardnekkige gewoonte opgegeven had, zette Johnny Bros aan het mijmeren. Immers, was zijn periode als onvoorwaardelijke kettingroker niet grofweg overeengekomen met zijn eveneens afgesloten periode als student? Definitief voorbij was de tijd dat elk college een epifanie van formaat teweegbracht. Data is niet hetzelfde als informatie. Check. De auteur en de verteller zijn niet noodzakelijk dezelfde. Check. Of zoiets -notities onleesbaar en nooit helemaal begrepen hoe dat nu eigenlijk zat. Herinnering is een constructie. Check. Toch heel wat opgestoken in al die tijd.

Maar die laatste weken was het Johnny Bros nog maar zelden overkomen, iets opsteken. Ja, na de colleges, bij een eerste futloze poging om het roken op te geven, een geschooide sigaret.

In de vroege namiddag begaf Johnny Bros zich naar het stadscentrum, meerbepaald het café “Reichenbach,” vlakbij de kathedraal. Rendez-vous met zijn vader. De drukte van tegenliggers en voetgangers, fietsers en foutparkeerders scheen Johnny Bros absurd toe. Hij was nog maar net wakker. De stad daarentegen had niet gewacht, en draaide wederom door met een halve dag voorsprong. Net zoals de dagen tevoren en de dagen die zouden volgen. Johnny Bros kreeg zin in een sigaret. Maar hij had er geen. Sommige problemen lossen zichzelf op.

Zonneschijn en een koud briesje; het perfecte weer om een verkoudheid op te doen. Ter voorbereiding liep Johnny Bros alvast wat te kuchen. Het resultaat stemde hem niet helemaal gelukkig. Sinds hij gestopt was met roken, was hoesten een aanmerkelijk minder met drama beladen bezigheid geworden. Geen slijm, geen beetje pijn, niks; de hypochondrie verloor haar geruststellende vanzelfsprekendheid. Ook het gehijg na trappenlopen was nu niet langer aan de tabak te wijten, maar gewoon aan zijn totale gebrek aan fysieke conditie, waarvoor er nu niet langer excuses in te roepen waren. Walk, don’t run. Johnny Bros zette de kraag van zijn lederen jekker omhoog en trok de ritssluiting tot helemaal onder zijn kin. De wind zocht tevergeefs een houvast in zijn weerspannige, kortgeknipte haar. Op de straathoeken werd keurig gewacht op groen licht. Weinig kans op mooie ongevallen vandaag. Sinds Johnny Bros gestopt was met roken, leek alles zo banaal.

Ach, gemijmer. Waar was toch de tijd dat hij samen met vrienden als Marlon de plaatselijke indyscene afstruinde, op zoek naar het achteraf pijnlijk overbodige gevoel “erbij geweest te zijn.” De tijd dat hij, na een hele avond in een achterkamer te hebben staan schuddebollen bij het gekrijs van slecht gestemde gitaren en een lamme drum, bij zichzelf en met de nodige gravitas kon zeggen: “Dit is de swing van de eenentwintigste eeuw.” En daarna samen met Marlon een fles rosé en een pakje Johnson kon kraken bij een geripte dvd van Brideshead Revisited. You must begin by speaking on the paper.

De avonden van testbeeld en automatische piloot in het Cultuurcafé, aan lange tafels voor een podium waarop steeds weer andere bands dezelfde toonloze heisa uit hun glimmende instrumentarium trokken. Te luid om te denken. Te luid om te spreken. Drinken dan maar. Stella. Rode wijn. Bollekes Koninck. De meisjes aan de overkant van de tafel fluisterden elkaar wat in het oor, een hand zuinigjes voor hun mond. Soms glimlachten ze naar Johnny Bros. Hij had er alle belang bij te doen alsof hij het niet zag. Dat hij het spelletje meespeelde. Maar verdomme, hij kon er tenminste bij roken zoveel hij wilde.

Aan een tafeltje bij het raam van café Reichenbach zit de oude de krant te lezen en zijn koffie te drinken. Johnny Bros ziet hem al van ver zitten en moet, voor het eerst, toegeven dat het een terecht etiket is, Oude. Sinds hun laatste ontmoeting is hij wat grijzer geworden, valer. Zijn ogen liggen wat dieper en staan wateriger dan anders. Oude. Ouder. Pa. Eén ding is echter onveranderd gebleven. Tussen de wijs- en middelvinger van zijn rechterhand, met de elleboog waarvan hij op de tafel steunt, smeult een Belga Filter met een vervaarlijk lange askegel. Johnny Bros gaat tegenover hem zitten aan het tafeltje.
“Pa,” zegt hij.
De oude kijkt op van zijn krant en legt de sigaret in de asbak.
“John,” zegt hij. Hij neemt de sigaret op en neemt een laatste trek. Dan duwt hij de peuk uit in de asbak.
“Staat er iets in de krant?” vraagt Johnny Bros.
“Niets speciaals. Politiek. En ongevallen. Spookrijders vooral. The usual stuff.”
“Ja,” zegt Johnny Bros. “The usual stuff.”

The usual stuff. Er viel heel wat te bespreken, deze keer.
De oude heeft er geen zin in, dat ziet Johnny Bros meteen. De oude steekt een verse Belga op en zet het op een hartstochtelijk hoesten. Het galmt tegen het plafond van het overigens zo goed als lege café Reichenbach. De oude pakt zijn zakdoek en fluimt erin, zo discreet mogelijk.
“Rook jij er nog eentje meer,” zegt Johnny Bros automatisch.
“Mja,” zegt de oude. “Dit zijn maar fluimen. ’s Morgens zit er soms bloed bij.”
“Misschien moet je er maar eens mee stoppen.”
“De sigaretten?”
“Nee, bloed hoesten. Die sigaretten kunnen me niet schelen.”
De oude schuift hem het pakje Belga toe. “Hier, pak aan. Dan rook ik er al eentje minder.”
“Nee, bedankt. Ik ben gestopt.”
De oude legt het pakje sigaretten terug naast zijn kopje koffie. “John, ik kan veel van je hebben. Maar niet dat je tegen me liegt.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen