donderdag 16 april 2009

Jack Kerouac en de nostalgie






Voor wie zich afvraagt waarmede wij ons dezer dagen bezighouden.



On The Road is de allereerste Engelstalige roman die ik ooit kocht. Jaren geleden is dat. Zo’n schreeuwlelijke Penguinuitgave met een omslag vol foto’s van Route 66, sleeën met staartvinnen, en een pasfoto van Jack Kerouac en zijn vriend Neal Cassady, die –gemystificeerd tot Sal Paradise en Dean Moriarty – elkaar doorheen het boek gezelschap zullen houden. Alle clichés op een hoopje, nog voordat we één letter achter de kiezen hadden. Verpinguïnd. Maar goed, niet teveel gezeurd. Per slot van rekening had ik het boek hoegenaamd niet om zijn covertekening gekocht.

Kerouacs bekendste roman is de quintessentiële road novel, een boek dat sinds zijn publicatie in 1957 – en niet in het minst door toedoen van de sensatie die ermee gepaard ging - is uitgegroeid tot de basistekst van de tegencultuur, een cultboek. De bijbel van de beats: een allitererend epitheton dat de lezer voorafgaat en hem/ haar voor lijkt te bereiden op een slordige 250 pagina’s seks, drugs en rock ’n roll. Hedonisme. Escapisme. Reden genoeg althans om met tintelende vingers aan het lezen te gaan.

Kan het anders dan tegenvallen? On The Road is als roman eigenlijk verpest door zijn receptie en de mythes die rond de tekst en zijn auteur zweven. Ja, in het boek wordt veel van hot naar her gecrost in vaak gestolen auto’s. Ja, er wordt lustig op los gerookt en geslikt, wijl uit de jukebox loeiharde bebop opklinkt. Ja, er wordt niet al te moeilijk gedaan over seks. En ja, de link tussen feit en fictie is niet moeilijk te leggen. Maar dat neemt niet weg dat onder dat vaak hedonistische oppervlak een heel andere, veel introspectievere tekst schuilt. Een niet altijd even consistente roman, met een schuchtere verteller, Sal, die achter zijn haast übermenschliche hoofdpersonage Dean aanscharrelt tot ook hij de rol moet lossen – in Mexico, nota bene - en zijn leven on the road dan maar de rug toekeert. Hij gaat in New York samenwonen met een meisje dat goed chocolademelk kan klaarmaken, en wanneer Dean een laatste keer bij zijn vriend komt aankloppen, kan Sal zelfs geen lift naar het station meer versieren voor zijn vroegere boezemvriend; als anticlimax kan dat tellen. Bovendien is het meest voorkomende adjectief in het hele boek sad. Niet bepaald de geijkte manier om een losbandige levensstijl te promoten, dunkt me. Waarom hadden de lezers en recensenten van het eerste uur dat dan niet door? Waarom domineert meer dan 50 jaar later de sensatie van toen de lezersverwachting van nu?
The Age of Anxiety

Om er maar meteen een dooddoener tegenaan te gooien: On The Road is een boek uit een andere tijd. De roman stamt uit een periode die onmiddellijk voorafgaat aan het ontstaan van een wijdverspreide jongeren – en tegencultuur. In het conservatieve Amerika van die jaren slaat Kerouac’s roman in als een bom. Het zijn de jaren van Mc Carthy en het IJzeren Gordijn. Het zijn de jaren waarin suburbia om zich heen grijpt als nooit tevoren. James Dean is alweer twee jaar dood. Elvis Presley, de King of rock ‘n roll, wordt bij TV-optredens gecensureerd en ontsnapt niet aan zijn legerdienst. In dit Amerika vormt de kliek van Kerouac en zijn controversiële beatcollega’s al jaren een ondergrondse minderheid, wat op zich al reden genoeg is om hen als verdacht te beschouwen. Amerika beleeft een age of anxiety zonder weerga, onder de sublieme dreiging van de Sputnik en de atoombom. Zelfs Kerouacs protagonisten ontgaat de dreiging niet. Maar zij kiezen voor extase en escapisme, in plaats van de angstvallige duck-and-cover mentaliteit die Amerika in zijn greep houdt.

Hoeft het dan te verbazen dat het publiek focust op de spectaculairste passages, en voor de handigheid maar doet alsof de talrijke introspecties van de hoofdpersonages er niet toe doen? De roman levert stof genoeg voor een verhit debat over zedenverwildering en (jeugd)delinquentie – een debat dat in die jaren ook op het witte doek opgeld maakt, met films als Blackboard Jungle, The Wild One en de quintessentiële Rebel Without a Cause. Kerouac’s pogingen om uit te leggen dat de transcontinentale queeste van zijn hoofdpersonages religieuze trekjes heeft, gaan in het gewoel verloren. De mythe dat het boek al in 1952 zou zijn geschreven tijdens een dagenlange rush onder invloed van benzedrine, helpt de zaak niet vooruit. Men ontdekt zijn vrienden, waaronder William Burroughs en Allen Ginsberg. Men spreekt over een Beat Generation, waarvan Kerouac, zeer tegen zijn zin, als de aanvoerder wordt gezien. Dat imago zal zijn ondergang worden; een verbitterde Kerouac zal uiteindelijk zelf nog amper het verschil maken tussen mens en mythe en sterft in 1969 roemloos aan de gevolgen van jarenlang alcoholmisbruik, jaren nadat hij zich uit het publieke leven had teruggetrokken. Het is niet toevallig het jaar waarin de film Easy Rider de reputatie van On The Road nog wat verder de verkeerde kant opduwt.

Anywhere road for anybody anyhow.

Nochtans is On The Road een boek over Amerika, punt. Het mythische land met de omvang van een continent wordt een medespeler, zoniet een onontkoombare invloed voor de protagonisten, die de immense afstanden en oppervlakte gebruiken als projectiescherm voor de zoektocht naar hun eigen identiteit. Als jongmens. Als naoorlogs individu. Als Amerikaan. Sal en Dean herbeleven op fragmentarische wijze de collectieve mythes van de pionier, de cowboy, soms zelfs de settler, in dat schijnbaar eindeloze land, dat echter in ijltempo kleiner wordt. Het vervelende besef dringt zich op dat ze niet anders kunnen dan deze voorouderlijke ervaring overdoen en parodiëren, dat er voor hen uitwendig niets meer te veroveren valt. Zelfs wanneer de hoofdpersonen naar Mexico afreizen en daar een bedwelmende conquista voeren van een in alle opzichten aards paradijs, dringt zich het besef op dat er enkel een weg terug is, en de werkelijke ontdekkingen innerlijk zijn, en spiritueel. Sal blijft ziek achter, Dean is niet te houden en reist verder, alleen, tot zijn auto het begeeft, waarna hij de tocht met het vliegtuig voortzet. De beweging, het on the road zijn, is voor hem een doel op zich geworden. Stilstand brengt in On The Road steeds problemen met zich mee, conflict, ziekte.

I think of Dean Moriarty.
Voor de ogen van Sal Paradise komt Amerika tot leven in de figuur van Dean Moriarty. Dean is de onbetwiste protagonist, en zeker in het eerste deel van de roman spreekt Sal over zijn makker met een mengsel van bewondering en jaloezie. Immers, hoe hard Sal ook zijn best doet, Dean imiteren of bijbenen kan hij niet. Sal is de eeuwige outsider, East Coast, van vaag-Italiaanse afkomst, opgevoed door een tante, die zelfs in zijn eigen verhaal het frontplan afstaat aan zijn vriend Dean, die al van kindsbeen af het Amerikaanse continent doorkruiste en er zich op alle gebied schijnt thuis te voelen.
En toch. Al bestempelt Sal zijn vriend als een holy goof, ook hij moet uiteindelijk erkennen dat Dean even schijnheilig als heilig is. Moriarty heeft een andere kant, die van de con man, de opportunistische praatjesmaker die er niet voor terugschrikt zijn beste vrienden te bedriegen om zijn zin te krijgen. De keerzijde van de American Dream. En zelfs dan kan Sal niet kwaad blijven op zijn held. “I think of Dean Moriarty,” zo eindigt het boek, een van de meest melancholische slotpassages uit de Amerikaanse literatuur.

Nostalgie?

“Een andere tijd,” het is hierboven al eens vermeld. Het is een cruciale dimensie voor de interpretatie van On The Road. Het is een boek dat verscheen in de late jaren ’50, een cultstatus bereikte in de jaren ’60, maar eigenlijk handelt over de late jaren ’40. Wanneer het boek, na jarenlange aanpassingen en uitgebreide censuuroperaties, alsnog verschijnt, liggen “de feiten” alweer zo’n tien jaar achter de rug. Kerouacs lezers van het eerste uur krijgen in hun suburbane walhalla een beeld voorgeschoteld van een (binnen)land dat vlak na de Tweede Wereldoorlog nog afrekent met de gevolgen van de Grote Depressie en de Dust Bowl. Echo’s van Steinbeck en misschien zelfs Caldwell klinken op in de vele ontmoetingen met ontheemde farmers en Mexicaanse seizoensarbeiders. Ook de hobocultuur speelt een grote rol in het boek; niet voor niets is Dean Moriarty’s onvindbare vader één van hen. Het waren subculturen die voor Kerouacs ogen bezig waren met uitsterven, terwijl “de beschaving”, ditmaal in de vorm van een conformistische consumptiemaatschappij, aan een tweede veroveringstocht over het continent begon. On the Road is een blue-collar ode aan dit Amerika dat binnen afzienbare tijd nog slechts in verhalen zou bestaan. Tegelijkertijd twijfelen zijn personages tussen de vlucht vooruit – het non - conformisme van de Beat Generation – of opgaan in de nostalgie. De weg terug gaapt, maar wordt slechts met tegenzin aangevangen. Beat kan van alles betekenen, maar in laatste instantie ook “verslagen.”

Kerouac zou de thematiek van On The Road blijven hernemen in zijn latere werk, vaak in een veel minder conventionele vorm dan de keurige vijfdelige structuur van zijn bekendste roman. Met On the Road sloeg Kerouac immers nog maar net de weg in van een “spontane” schriftuur, die in haar ritme en patronen de intense en buitenissige realiteit van “Amerika” poogde te vangen. Niet al die werken zijn even gemakkelijk leesbaar, laat staan even geslaagd. Kerouac had een oeuvre voor ogen dat, indien het eenmaal zou zijn voltooid, een samenhangend fresco zou vormen van de tijd en het land waarin hij leefde. Zijn vroegtijdige dood zorgde er helaas voor dat het fresco onvoltooid bleef, en er in de big picture nog grote gaten zitten. On the Road is echter een mooi en bij tijden magistraal beginpunt om het oeuvre van Jack Kerouac, zijn tijd en zijn land te ontdekken.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen