donderdag 19 maart 2009

Heerhugowaard

Eén jaar geleden overleed Hugo Claus. Onderstaand stuk verscheen in B-Magazine en deed later dienst als verjaardagscadeau.


I
Antwerpen, 29 maart 2008. Negen uur des morgens, en ik bevind mij tussen twee dranghekkens op het pleintje voor de Bourlaschouwburg, in het gezelschap van een jongedame die we nu maar even Ella zullen noemen. Het idee om de herdenkingsplechtigheid voor Claus bij te wonen is geheel het hare, het idee om mij er mee naartoe te sleuren al evenzeer. Want ik beken: ik ken Claus enkel van (een niet bijster groot aantal van) zijn boeken en van alle de laatste dagen nog eens overzichtelijk opgesomde clichés omtrent zijn persoon. Dat is voor Ella wel even anders; op haar onnavolgbaar charmante wijze vertelt ze hoe ze op zestienjarige leeftijd haar exemplaar van “Het Verdriet van België” door Claus himself heeft laten signeren. Bij die gelegenheid is een foto gemaakt, waarop zijzelf te zien is met een soort gelukzalige twinkeling in haar ogen. De Meester zelf kijkt intussen schalks naar haar kont. Ik aanhoor het enigszins grijnzend, en vraag me af of ik nu jaloers moet zijn.

II
Schoonderbuken, 1999. Ik ben twaalf en zit in de kappersstoel bij coiffeur Calixte. De brave man is een goede vriend van de familie; ik ben intussen de derde of de vierde generatie die bij hem om een “broske” komt. Hij heeft een cadeau voor me – dat overkomt me wel vaker nu, in de nasleep van mijn Plechtige Communie. Een stevig, vierkant pak. Even vrees ik dat hij een baksteen ingepakt heeft, maar het blijkt een boek te zijn. Een dik boek. “Het Verdriet van België.” Op de achterflap een foto van Claus in bontjas; hij doet me denken aan Roald Amundsen, de poolreiziger van lang geleden. Ik begin het onmiddellijk te lezen en begrijp er in eerste instantie geen snars van. Het boek laat me verdwaasd en met ijskouw pollen achter. Straf.

III
Antwerpen, ibidem We hebben geluk met het weer: deze zaterdag moet ongeveer de enige maartdag zonder regen of sneeuw zijn, een onmiskenbaar pluspunt wanneer je urenlang in openlucht staat aan te schuiven. Koud is het echter nog steeds, zodat Ella haar marmotvormige muts nog wat steviger over haar hoofd trekt en heel lief mijn handschoenen afbedelt. Aan de overkant van het plein komen twee lijkwagens voorrijden; één voor de kist en één voor de bloemen. Een agent van ’t Stad komt voorbij en blijft minutenlang bedenkelijk staan kijken, het lijkt alsof hij een parkeerboete wil uitschrijven. “Stel je voor,” zeg ik tegen Ella, “dat ze hem dadelijk komen wegtakelen. Dan staan we hier voor niks kou te lijden.” Ze rolt eens met haar ogen en besluit er niet op in te gaan.

IV
Diest, 2002 Vijftien ben ik intussen, en zodanig Sturm und Drang dat ik stevig aan de poëzie ben en me bij tijd en wijle vertwijfeld afvraag of er leven is na Jotie T’Hooft. Dat blijkt zo te zijn: op een dag stopt een leraar me de kolossale verzamelbundel “Gedichten 1948-1998” van Claus in handen, met de woorden “Ga heen en lees.” Wel, dat heb ik gedaan. ’s Avonds, in de kamer die ik met mijn broer deel, lispel ik de titels voor me uit. “De Oostakkerse Gedichten.” Of het onheilspellende “Tancredo Infrasonic.” Vier vijf keer. “Heer Everzwijn.” In het bed naast me wordt mijn broer wakker: “Ga je nu eindelijk je bek houden?” Dat doe ik dan maar; aan wat ik net gelezen heb, heb ik op dat moment echt niets toe te voegen.

V
Antwerpen, ibidem. Intussen wemelt het op het pleintje van de persmensen. Reporters en reportsters met de microfoon in de aanslag en een cameraploeg in hun kielzog lopen langs de rij wachtenden en keuren: “Wie ziet er interessant genoeg uit?” Ella krijgt een microfoon onder haar neus geduwd vanwege het persagentschap Belga en brandt los. Dat we (we…) wel moesten komen, Hugo is tenslotte onze aller-allergrootste, ja, ze is grote fan, al lang overigens, ze heeft de Meester ooit ontmoet, ze staat zelfs samen met hem op de foto. Dat van haar kont houdt ze wijselijk voor zichzelf.

VI
Bekkevoort, 2003 Zomer. Hoogzomer. Ik lig – hoe bucolisch- onder een boom en lees “De Metsiers.” Een intens verhaal, met een handige moraal: “het is allemaal de schuld van de mama.” Ik hoef op dat ogenblik niet eens moeite te doen om Claus over de hele lijn gelijk te geven. En toch: het iets minder aangename besef dat dit boek Claus’ debuut is, geschreven toen hij amper negentien was. Ik tel, nog drie jaar tijd, om, om te… Een mens wordt er niet vrolijker van.

VII
Antwerpen, ibidem Eindelijk gaan de deuren open en worden we door immer weer andere, in het zwart geklede, zaalwachten geteld, de weg gewezen en downright geïntimideerd. Ella en ik komen terecht in een krappe loge op het tweede balkon. Overal krakend houtwerk en rood pluche, het heeft iets sensueels. Alleen spijtig van de buren, die met hun gsm foto’s zitten te maken. Maar wie ben ik, denk ik, om er iets van te zeggen? Van Ella weet ik het niet, maar ikzelf voel me, terwijl we beneden ons naar hartenlust de ene coryfee na de andere kunnen spotten, nog het meest een toerist. Misschien maar goed dat ik met mijn gsm alvast geen foto’s kan maken. En niet vergeten dat ding uit te zetten. Intussen speelt op de achtergrond een vrolijk jazzdeuntje, het sijpelt onwerkelijk over de hoofden van de vijfhonderd genodigden, van de elf sprekers op het podium, over het met rode rozen bezette verhoogje waarop straks de kist zal rusten. Er gebeurt nog niets op het podium; toch zit Ella alvast aandoenlijk triest te kijken, ik vermoed bij wijze van opwarming.

VIII
Koksijde, 2004 Veertien dagen Belgische Kust met de familie, en in alle haastigheid maar één boek kunnen meenemen: “Vrijdag.” Een toneelstuk dan nog. Eén dat ik nota bene nog heb moeten lezen ook, het afgelopen schooljaar. But it says “Hugo Claus” on the cover. En Jezus Christus, wat kun je in vredesnaam voor nuttigs doen aan zee, dan wat lezen? Welaan dan. Bij het einde van de vakantie berisp ik iedereen die zulks verdient met een welgemeen “’t Is van uw schoonste niet, Georges.” Of bederf ik ieders goesting in een broodje Martino door aangaande de amércain préparé op te merken: “’t Schijnt dat ge hem moet opeten als ‘ie vers gedraaid is, want dat ‘ie anders direct vol wormkes zit.” Of, bij de vaat: “De onnozelaar is weer thuis. Gij gaat niet meer lachen. Het is gedaan met de rode handdoek.” Waarop mijn broer: “Gij zoudt beter wat rapper afdrogen, gij.”

XIV
Antwerpen, ibidem. Daar begint dan de plechtigheid, een diepe stilte valt en een man nadert het spreekgestoelte. Het is Claus’ uitgever, Robert Ammerlaan. Hij vraagt alle aanwezigen om op te staan voor Hugo Claus. Het eerbiedige equivalent van een Mexican wave trekt door de zaal. De eenvoudige houten kist wordt binnengedragen, op het verhoogje geplaatst. Iedereen gaat weer zitten en plots vergeet ik mijn balorigheid, het aanschuiven, de gsm’s. Een rilling van gemis, van verdriet zelfs en plots zit ik er waarschijnlijk net zo verslagen bij als Ella. We horen de gedichten die worden voorgedragen door Gilda De Bal, Josse De Pauw, Hilde Van Mieghem en Jan Decleir: “De sporen/van wat een gedicht was/meestal een vergelijking/en nu ligt er een lijk van woorden/die ooit ontdooien.” Of Erwin Mortier en zijn terzijde voor Kardinaal Danneels. We horen de muziek, die –zo blijkt- door de Meester zelf is uitgekozen en die – kan het ook anders?- zijn effect niet mist. Zijn zuchteffect. Zijn slikeffect, zijn snikeffect. Het filmpje van Claus die zijn Sonnet XV voordraagt, dat later in de journaals zo handig wordt afgekapt halfweg de tweede strofe: “Nu is de wereld sterfelijk als ik/en daarmee uit.” Waarna de kist wordt weggedragen en het definitief voorbij is.

Epiloog.

Of toch niet. Het publiek moet blijven zitten tot de zaalwachten komen zeggen dat je naar beneden mag, waarbij er gelegenheid tot groeten is. Zelfs de vijfhonderd genodigden op de parterre ontsnappen er niet aan.
In de krappe loge op het tweede balkon zitten Ella en ik. We zwijgen. Af en toe kijken we elkaar aan. En kijken weer weg. Tien, vijftien keer haal ik diep adem om wat te zeggen, kijk ik om. Recht in haar blinkende ogen. Haar dapper op elkaar geklemde kaken. Wat valt er ook te zeggen? Wat valt er nog aan toe te voegen?

Dan komt eindelijk de zaalwacht. “Kom,” zegt Ella. “Kom.” We staan op. In de inkomhal groeten we de kist: even het blanke hout aanraken en het hoofd buigen. Even maar. Ella legt een hand op mijn schouder. We gaan. Buiten schijnt de zon.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen